Skip to content

Camelea

Vriendinnen waren we, Camelea, Ida en ik. Drie vriendinnen die elkaar urenlang onderhielden. En maar kletsen, lachen aan tafel zonder dat het een moment verveelde. Het zal humor zijn die ons verbond. In de tonen - licht sarcastisch, clownesk, ironisch – kon je verschil horen. Toen.

Waar te beginnen? Nee, niet met haar dood, nu zij zo ongezien lijkt te zijn verdwenen in de Corona-piek. Nee, niet starten met de breuk in de vriendschap, maar met hoe we elkaar leerden kennen. Wanneer, tijdens het samenstellen van een krant voor het Leids studententoneelfestival? Die festivalkrant zetten we - Ida, Camelea en ik ’s nachts in elkaar en namen daarna de eerste trein naar Utrecht, terug naar school, de School voor de Journalistiek. 12 september 1973. De datum zal ik niet gauw vergeten, de dag na de militaire coup in Chili, waarover we lazen in de ochtendkrant. Vooral I. voelde zich sterk betrokken; jaren later zou zij in Chili een reportage schrijven (in De Volkskrant).

De foto van ons gaat terug in de tijd. Aan de koffie, een ouderwetse melkfles op de keukentafel in het  huis in de Utrechtse Schoolstraat, waar I. en ik dan wonen. 19, 20, 21 jaar. Zwart, blond, bruin haar. C. met karakteristiek rond brilletje. I. had contactlenzen die ze soms uitdeed aan tafel; bij het afnemen van de tafel verdwenen ze in de vuilniszak die dan helemaal uitgeplozen moest worden. Hes maakte de foto in 1973, we waren eerste, tweede- en derdejaars studenten  (hij al afgestudeerd).

Nog een foto uit 1978, dezelfde compositie. I. en ik op bezoek bij C. in haar ouderlijk huis in Vught, waar haar vader de foto maakte? Zij is aan het uitzieken van malaria, opgelopen in Indonesië, waar ze met Hes is geweest. Daar hadden ze I. en vriend Hans ontmoet, die tijdens hun wereldreis op Bali waren neergestreken. Na een jaar is I. vermagerd terug van de wereldreis, is C. behoorlijk ziek geweest en heb ik wekenlang in de filmmontage gezeten van De Salon van het verdriet. Na mijlenverre verwijdering zijn we weer bijeen om als vanouds samen te kletsen, lachen. De vriendschap was gul. Geen jaloezie of concurrentie. Ook niet in Amsterdam, waar I. en C. een etage deelden in oost, en ik in het centrum woonde. Rond 1980 ging het echter mis in de hechte vriendschap tussen die twee. Het had te maken met overspel in I’s familie. Een taboe. De breuk was rigoureus.

Niet lang daarna vertrok ik naar New York. Op afstand bleven I. en ik met elkaar werken voor het eigenzinnige tijdschrift Zone 3. Terug in Amsterdam in '85, regelden zij en H. een huisje voor me vlakbij C's adres, een etage die ze van mijn zus overnam. Daar zocht ik haar op. Toen ik I’s naam noemde tijdens het eten van een zalmmoot – waarom herinner ik me dit? - viel een ongemakkelijke stilte. Hun breuk had invloed, ook op mij. I. en ik bleven vriendinnen, kregen kinderen, organiseerden veel samen. Ze werd heel ziek. Ida overleed in september 1997. Na haar begrafenis zaten we met een groep vrienden op het caféterras van Hesp a/d Amstel. We memoreerden haar, urenlang. C. was de grote afwezige. Zoals zij – hoor ik nu – daarna de afwezige was in andere verbroken vriendschappen.

Zowat een week geleden bij het opruimen, zie ik een notitie met C’s naam in een zelfgemaakt boek, een groot kladblok. Na vijftig jaar is dit uit elkaar gevallen. O metafoor, voor wat uit elkaar valt in het leven. Want een paar dagen later, als journaliste Michaja op bezoek is, vertelt zij dat Camelea is overleden. Op 28 maart. Niet aan Corona, maar aan de ellendige k. Het onverwachte bericht brengt een schok teweeg. O ja, C. was op 22 mei jarig. Dan zou ze 66 zijn geworden, en kon ze eindelijk met pensioen. Dan had ze nog meer tijd gehad om te kunnen lezen...Mooie schriftjes verzamelen? Had ze die collectie nog?

Al zijn we elkaar al lang uit het oog verloren, laat het doosbericht me niet los. Is het toeval dat dit synchroon loopt met haar naam in het uit elkaar gevallen boek? Ze had het gelezen en gezegd dat het haar deed denken aan The golden notebook. C. was dol op dat boek van Doris Lessing, en vele feministes van het eerste uur met haar. Ze werkte toen met grote inzet als redactrice voor Hoor haar, het feministische VARA-radioprogramma.

Haar naam googelend, verschijnt een kleine rouwadvertentie in NRC-Handelsblad. Naast de rouwannonce van haar vader, in 2018 overleden. En van haar vriend, in 2016. Wat een zware dobber, je man en vader zo kort na elkaar te verliezen. Op het Internet één portretfoto: ouder, lichter haar, geen rond brilletje, bruin colbertjasje. Niet het zwart of wit, wat ze vroeger droeg.

Soms hoorde ik haar kenmerkende, hese stemmetje in een Nieuwsuur reportage. En herkende haar nieuwsgierigheid, altijd doorvragen. Onder haar naam zijn op Internet slechts een paar Nieuwsuur-reportages te vinden, waar controverse over is geweest. No wonder, Camé kon zich vastbijten in een onderwerp. Er is geen I.M. van de omroepen, voor wie ze jaren werkte. Mogelijk is men in de Corona-crisis vergeten haar te memoreren als de scherpe, nieuwsgierige journaliste met de licht sarcastische lach. Het past bij haar, zo ongezien te verdwijnen.

Herinneringen, mijn kop zit er vol mee als ik fiets langs het huis aan de kade, waar C. woonde voor ze naar Haarlem vertrok. Eén van haar zusjes woont daar nu. Bij het nummer stop ik om het naambordje te bekijken. Het is er nog: ‘C. Buys’, (of heeft haar zus hetzelfde initiaal?)  ’t Is gek met vriendinnen, je deelt de meest intieme dingen en dan is de intense vriendschap ineens over. Je vergeet het zelfs, bijna. Koester vriendschap, het is zo voorbij.