Skip to content

columns

Beeldend kunstenaar Aernout Mik maakte zondag 16 september een registratie van het concert 4’33” van de Amerikaanse componist John Cage. Het vond plaats in openluchttheater De Lichtenberg in Weert. Het concert is daar uitgevoerd voor opnames. De film zal permanent vertoond worden in het nieuwe Utrechtse muziektheater vanaf najaar 2013. Bij de opnames waren zo’n honderdvijftig figuranten betrokken. Onder wie journaliste Katrien de Klein en ik.

Figureren is niet onze hobby. Maar nu waren we geïnteresseerd. In 1975 maakten we radioprogramma's voor de Radio Volksuniversiteit RVU over hedendaagse componisten, onder wie Cage. Daarin vertelden onder meer de schrijvers/dichters K. Schippers en J. Bernlef, zangeres Ileana Melitta en musicus Reinbert de Leeuw op een onderhoudende manier over de componisten. We schreven aan Cage. En waren zeer vereerd toen we als antwoord een telegram van hem ontvingen in de vorm van een anagram Message to You’ . Op de draaidag van 4'33", draag ik dit briefje mee als een kostbaar sieraad.

Het is een zonnige dag. We zitten op houten banken verspreid in het openluchttheater en applaudisseren zodra  tien musici het podium op komen. Acht musici hebben hun muziekinstrumenten in de hand – bas en vleugel staan op het podium – en gaan op stoelen zitten in een rij. Pianist Reinbert de Leeuw licht het deksel van de glimmende vleugel op, slaat zijn (blanco) bladmuziekboek open. De musici doen hetzelfde. De Leeuw drukt op zijn stopwatch en legt deze op de piano. Het publiek, dat door de crew is verzocht niet in de (drie) camera's te kijken en te luisteren naar de stilte, zit stil.

Stil? Terwijl ik rondkijk en de locatie, figuranten, musici en filmcrew in me opneem, hoor ik een brommend geluid…Een aggregaat, waar staat dat ding? Publiek en filmcrew kucht. Liever luister ik naar vogel getwitter of geruis van gebladerte van de omringende hoge bomen in de wind. Dan komt een ronkende auto langs. En vliegt een zoemend zweefvliegtuig over. Uit dit en ander geluid bestaat de concertuitvoering. Op teken van De Leeuw slaan de muzikanten twee keer een blad van hun bladmuziek om. Tot de onbeweeglijke Reinbert het deksel van de vleugel langzaam met zijn handen sluit. De muzikanten staan op en lopen met hun ongebruikte instrumenten in de hand in een rij het podium af. Ze verdwijnen achter een deurtje, terwijl het publiek nog applaudisseert. Het concert wordt zo’n acht keer opgenomen, Er is een ruime lunchpauze tussendoor.

Is in het begin de stemming onder het figurantenpubliek nog geconcentreerd, op den duur begint de verveling toe te slaan. Je hoort: ‘niet veel variatie’, ‘deze keer klonk ’t veel beter’ en ‘ik ben er stil van’. Als tijdens een laatste korte pauzes een paar tonen van de hoorn klinken, vraagt Katrien zich af of de musici nog een afscheidsdeuntje zullen spelen. Maar nee..Dit is serieus. geen grap, al moet ik vaak glimlachen. Stilletjes vind ik Cage geweldig. Zo gedurfd, toen hij 4’33” voor het eerst in 1952 in de plaats Woodstock opvoerde.

Tijdens de lunchpauze spreken we De Leeuw. Als we Cage's telegram laten zien, voel ik me een scholier die een briefje aan de meester toont. Hij bekijkt het aandachtig, maar kan zich onze programma’s niet herinneren. Zijn ze wel bewaard? Als we later googelen in het archief van Beeld en Geluid, vinden we geen gegevens. En als ik later in Utrecht in het Muziektheater wil gaan kijken naar de film van 4'33'', blijkt die daar helemaal niet permanent te zien. Wat overblijft is Cage's briefje met de laatste zin:  ‘Yesterday’s over, what about today?

Wat hoor ik vandaag? Tonen van de merel in de tuin, een ondertoon van dof verkeersgeluid, een elektrische zaag, getik op het toetsenbord. Het knarsen van ijzer op ijzer van de tram, planken die opgestapeld worden, een loeiende vuilniswagen. Tikken van de regen, hard, dan zacht. Langslopende voetstappen op de stoep. Een knetterende brommer. Portier dat dichtslaat. Piepende remmen. De merel stijgt er bovenuit, zingend pratend in hoge tonen, afgewisseld met snerpend twiet twiet geluid.

Kakofonie in de stilte. Geluid als muziek. De schoonmaakwagen raast door de straat, overheerst alle geluiden, boent en veegt alles weg.

Inmiddels (2019) heeft Katrien bij haar thuis de originele opnamebanden gevonden. We hebben ze gedoneerd aan Beeld en Geluid. Daar hebben technici de banden gedigitaliseerd. We hebben de opnamen gedigitaliseerd terug ontvangen om een podcast van te maken.

Op 6 juli landden E. en ik met Aeroflot op Poelkovo airport. Er was een oponthoud in de bagage hal. Ongeduldig stond Andrei ons buiten op te wachten met een welkomstboeket. In zijn St. Petersburgse appartement bood hij ons zijn bankbed aan, terwijl hij zelf in de kinderkamer ging slapen. Zijn vrouw Iryna en dochter Anna waren op vakantie. Na een leuke week in St. Petersburg reisden we samen per nachttrein naar Moskou. We kwamen 's morgens aan en liepen rondom het Kremlin. 's Avonds begonnen we aan een lange busreis van een nacht en halve dag naar Volgograd. In het voormalige Stalingrad waren we te gast bij Andrei’s familie in hun datsja’s. Ook zijn vrouw en dochter waren daar. De Fransman Thomas reisde met ons mee (hij heeft een vergelijkbare familiegeschiedenis; zijn overgrootvader was de Russische componist Alexander Bernardi).

We hebben gelopen, gelopen, trappen op en af, en nog meer van Rusland gezien, gehoord, gevoeld. Ik kende het land uit verhalen van mijn grootmoeder, films en boeken. Vorig jaar zag ik het pas echt.  Aanleiding voor dit tweede bezoek was weer de herontdekte bet-overgrootvader Nicolai Zaremba. Maar nu kon ik ook de stad zien van de dichteres Anna Akhmatova. In een gedicht dat zij opdroeg aan de dichter Alexander Blok, dichtte ze over de kleur van de zon als van frambozen en de blauw-grijze nevel van de Neva:

‘I came to the house of the poet/Sunday. Precisely at noon/The room is big and quiet./Outside, in the frosty view/Hangs a raspberry-coloured sun/over ropes of blue-grey smoke/The gaze of my watchful host/silently envelops me./His eyes are so serene/one could be lost in them forever./I know I must take care/not to return his look./But the talk is what I remember/from that smoky Sunday noon/in the poet’s high grey house/by the sea-gates of the Neva.’

Zonk Akhmatova in januari 1914 in haar gedicht nog dromerig weg in de bedaarde ogen van dichter Blok, een paar jaar later zou de revolutie, de Tweede Wereldoorlog en het Stalinisme dramatisch toeslaan in haar leven en werk. Haar gedicht Requiem verscheen pas in 1987 in de Sovjet-Unie. Terwijl zij trouw was aan Rusland en niet emigreerde (‘I am not one of those who left the land’).

Zo had ook Felix, de zoon van Nicolai Zaremba, geweigerd uit St. Petersburg weg te gaan. Tijdens de revolutie is Felix verdwenen. Andrei, Zaremba’s biograaf, ondernam een vergeefse poging alle Zaremba’s die hij in het telefoonboek kon vinden, te bellen om te vragen of zij familie van Felix waren. Andrei woont in het gebied waar Felix destijds gewoond heeft. Nu staat de ooit bosrijke omgeving vol appartementengebouwen. Soms staarde ik vanaf het balkonnetje naar de hoge berkenbomen en probeerde me Felix voor te stellen. Wat was zijn motief geweest te blijven, uit vaderlandsliefde of vanwege een geliefde?

Witte nacht De Rusland-reis begon pas goed in de witte nacht van 9 juli toen we mijn verjaardag aan de Neva oever vierden. We keken hoe de Peter de Grote brug langzaam opende. Van april tot half november, als de Neva bevaarbaar is, worden alle bruggen ’s nachts om 2 uur achter elkaar open gezet tot 5 uur. Dan is de stad alleen nog via de Vantovi brug te bereiken. ‘Tijdens witte nachten wanneer de stad gehuld is in magische schemering, is het omhoog halen van de honderden tonnen zware bruggen een adembenemend schouwspel’, aldus de gids-beschrijving. Bij de brug schonk Andrei meegebrachte glazen vol met champagne, terwijl lichten over de Neva schitterden. Van half juni tot half juli wordt het hier nooit echt donker. Als je denkt dat het 8 uur is, blijkt het 11, 12 uur te zijn. (Tijdsverschil met NL is 2 uur).

Wat is tijd? Vorig jaar leek het of ik in een tijdmachine zat. Toen liepen we in het voetspoor van Nicolai Zaremba langs de huizen waar hij gewoond had, de locaties waar hij muziek had gespeeld en gedoceerd. We bezochten zijn gerestaureerde graf en woonden een concert van zijn muziek bij in het Conservatorium. Dit keer zat ik weer in een tijdmachine van de jaren 50, begin 60. in Rusland bestaan nog dingen die in Nederland zijn afgeschaft: Een postkantoor. Een conducteur in een tram of bus die met een machientje een flinterdun kaartje voor je uitdraait. Of een token als betaalmiddel in de metro. De ouderwetse dingen roepen een nostalgisch gevoel op. Het betekent ook oncomfortabel in een bus hobbelen door kuilen in de straten. Piepende, knarsende trams doen pijn aan je oren. ‘Bij de halten staat men meestal niet keurig en is het vaak dringen’, aldus het gidsje. Dat viel mee. Het ging meer om de route. Want ‘onze’ bus 22, bleek heen niet dezelfde route te rijden als terug. We werden op weg geholpen door Engelssprekende jonge Russen, die een taxi voor ons aanhielden. De taxichauffeur moest hen verzekeren te bellen als we op de plek van bestemming waren aangekomen en we voelden ons beschermd.

De rammelende bus 22 reed vanaf de omgeving van Andrei’s appartement aan de oostkant in de richting van het grote Moskovski station de Nevsky Prospect op. We passeerden dit punt zo vaak dat we blasé werden: dit kennen we nu wel. Aan de Nevsky Prospect bevindt zich onder meer een klassiek ingerichte theatersociëteit (vergelijkbaar met de Amsterdamse sociëteit Arti). Ina nam ons mee. De componist/pianist Igor Garry speelde hier enkele composities van zijn hand op de vleugel in de gang van de sociëteit. Hij begeleidde de mezzo-sopraan Sacha.

Iedereen maakt muziek! Het hoogtepunt was de uitvoering voor mijn verjaardag van Zaremba’s Quartet door vier strijkers van het Conservatorium in Andrei’s kleine appartement. Fantastisch, Shushan Shamiryan (1e viool), Alexander Khirnyi (2e viool), Victor Rohatyn (alt) en Jaroslav Georgiev (cello) en Andrei Boretsky, bravo!

Oude huizen Eerder had ik Akhmatova’s gedichten en verhalen van Vladimir Nabokov en Daniel Charms gelezen en de prachtig filmische schilderijen van Ilja Repin gezien. Tijdens deze reis kwam ik in hun oude huizen. Zo woonde Achmatova in de dienstvertrekken van het Sjeremetev-paleis, een op het eerste gezicht prachtige plek in een park. Hier leefden meerdere schrijvers en dichters onder toezicht. Hun meubilair is verloren gegaan. Om het museum in te richten zijn identieke spullen gevonden: zo staat er een stapel oude koffers bij de ingang. Er Een vaatdoekje aan een lijntje touw boven een bruine emaillen koffiepot in de keuken suggereert armetierigheid en opgeslotenheid. Zoals dit nog voelbaar is in het Amsterdamse Achterhuis.

Vladimir Nabokovs ouderlijk huis bevindt zich in de buurt van het hoofdpostkantoor Potsjamtskajam, minstens zo groot is als het voormalige postkantoor bij de Dam (we kochten er postzegels die niet plakten). Ik had wel eens een vaag fotootje van Nabokovs huis gezien, in werkelijkheid was het heel imposant met aan de gevel een pastelkleurig bloemmozaïek.  Het staat tussen andere geweldige huizen aan de Bolsjaja Morskaja Oelitsa 45. Het gebouw hoort nu bij de Universiteit; op de eerste verdieping is het Nabokov museum. Daarboven zit de ‘unie van componisten’ in versleten vertrekken. Het Nabokov- museum heeft grote, hoge kamers met houten meubelen, en krakende houten vloeren. Het geeft een tintelend gevoel daar dingen te zien waar je eerder over hoorde. Zoals Nabokov-uitgaven van de ondergrondse uitgeverij Samisdad, de typemachine met Russische lettertoetsen, en zijn vlinderverzameling. Dat de schrijver aanzien had, blijkt wel uit het tentoonstellen van zijn afgedragen crèmekleurige colbertjasje en hoedje.

Gek dat dubbele ramen en brede vensterbanken zo je aandacht kunnen trekken. Ik dacht daarbij aan Asja Kerling uit Voorburg die we (met Kees Hin) filmden voor de documentaire De salon van het verdriet. Zij had aan de Nevski Prospect gewoond. Vanaf de brede vensterbank had zij met haar zusjes het begin van de revolutie op straat gadegeslagen. Vanuit dat huis was de familie halsoverkop gevlucht. Ik had haar niet naar het huisnummer gevraagd. In de beroemde straat bezichtigden we vorig jaar de Lutherse St. Peterskerk uit 1833. De kerk had voor ons speciale betekenis, omdat Nicolai Zaremba daar koordirigent was geweest. Toch vonden we het verbazingwekkender dat de kerk in de Sovjettijd een zwembad was! Vorige keer begreep ik niets van het cyrillische alfabet en voelde me een analfabeet. Na tien lessen Russisch bij de Uva kon ik in elk geval de letters op gevels en borden lezen.

Demonstratie bij Smolny De eerste dag bezochten we het Smolny klooster; de kathedraal met centrale koepel en vier kleinere koepeltjes met gouden bollen is in 1835 voltooid. Dit ontleen ik uit het gidsje. Toen we de kerk binnenkwamen hoorden we klassieke muziek spelen vanachter een dik fluwelen gordijn. Daarop hoorden we ‘lang zal ze leven’. Kennelijk zat er een jarige Nederlands musicus in het orkest. We beklommen de toren om het uitzicht over de stad en de brug (die nu dicht was) te zien. De klim naar de top was nogal eng voor mij met hoogtevrees. Weer beneden liepen we door het park naar het door militairen bewaakte Smolnyinstituut, waar een beeld van Lenin voor staat. Je kunt het alleen van dichtbij zien als je toegang hebt tot dit gebouw. Lenin wordt vaak afgebeeld in een wapperende winterjas, waarmee de beweging en energie wordt opgeroepen van de man en revolutie. Hier, in de voormalige school voor adellijke vrouwen, vond 25 okt. 1917 de bolsjewistische staatsgreep plaats en nam hij het gebouw in.

Op het moment dat we bij de fontein op een bankje zaten naast een mevrouw met een brei tijdschrift, zag ik cameramannen in de richting van het instituut rennen. Toen we mee renden, zagen we een man voor het instituut met een bonte vlag wapperen. Daarop werd hij door militairen en politie aan de arm meegenomen naar het park. Daar praatte hij met journalisten. Een demonstrant kwam er bij. Het ging er bijna stilletjes aan toe. Toch werden ze daarna samen in een arrestantenwagen weggereden, gevolgd door de camera’s. Toen ik later aan Andrei vroeg wat dit te betekenen had, vertelde hij dat het een pro-homo demonstratie was, een nog omstreden issue in hedendaags Rusland.

Kwamen we vorig jaar vaak op het plein rond het Rimski-Korsakov conservatorium, dit jaar bezochten we vele andere plaatsen. Zo zagen we met A. en T. de Petrus en Paulus kathedraal, Nevapoort, Petrus en Paulus vesting – een voormalige gevangenis – en kathedraal. De kathedraal konden we niet bezichtigen, omdat er een klokkentorenconcert aan de gang was, waarbij onder meer Ne me quitte pas  werd gespeeld, als in Les Parapluies de Cherbourg (Démy). We dronken koffie in de onlangs heropende chique delicatessenzaak aan de Nevsky Prospect, een toeristen trekpleister. En cirkelden rond het Sjeremetevpaleis, waar we in het ‘Museum van het Muzikale Leven’ een rondleiding in het Frans kregen van een gidse langs talloze instrumenten, zoals een gedecoreerd klavecimbel dat van tsaar Nicolaas II zou zijn geweest.

Repino De zon schijnt in juli gemiddeld 9 uur. Niet die middag, toen we in de regen liepen langs de bonte kerktorens van de Verlosser op het Bloed aan het Gribojedovkanaal. De zon scheen wel weer volop tijdens de 50 km. afstand van St. Petersburg naar Repino aan de Finse Golf. De treinreis begon vanaf het Finlandstation. Daar staat op het Plosjtsjad Lenina een gigantisch beeld van Lenin uit 1926 (in ‘taxi pose’ met opgeheven hand).

De trein zat boordevol mensen die op weg waren naar hun datsja buitenverblijven bij de meren, dennenbossen en stranden. In Repino staken we het spoor en de hoofdweg over. We vroegen de weg aan een man die geen Engels sprak en duidelijk maakte dat we een bus moesten nemen richting Penaty, de naam van het huis (genoemd naar Romeinse huisgoden). Dit is het atelier en huis van de meesterlijke schilder Ilja Repin. Hij woonde hier meer dan 30 jaar, tot zijn dood in 1930 op 86-jarige leeftijd. Niet alleen bouwde hij zijn eigen huis (dat in de oorlog kapot geschoten is en herbouwd). En construeerde hij van alles, zoals een speciale draai-eettafel waaraan gasten zich konden bedienen zodat geen personeel nodig was. Gasten moesten zich aan de huisregels houden. Deden ze dat niet, dan stond een spreekstoel voor ze klaar. Repin ligt ook hier begraven op een heuvel, ‘Golgotha’. Waarom Golgotha? Misschien heeft de schilder veel geleden. Hij had veel zelfkritiek, vernietigde veel werk. Hij bracht de laatste jaren van zijn leven eenzaam door, want kon niet terug naar Rusland (dit was oorspronkelijk Fins gebied).

Terug in St. P. aten we in het buffet van het Finland station en bewonderden de locomotief op spoor 5 met treinstel die daar onder een glazen kap staat. De trein waarmee Lenin in juli 1917 voor de tweede keer de hoofdstad ontvluchtte naar Finland en waarmee hij terugkwam.

We hebben nog eens de afstand afgelegd per bus naar Tsjarskoje Selo, Poesjkin-stad, om daar de attractie van de barnsteenkamer te zien in het keizerlijke Catharinapaleis. Ook dit keer was het dicht. Er gebeurden daar andere dingen, zoals het zoveelste huwelijk dat op straat gevierd werd. E. maakte contact met een man uit dit gezelschap die ons champagne aanbood.

Andrei wilde met ons naar het grote Oranienbaum Paleis maar dit ging niet door omdat hij was uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek voor een baan als dirigent van een koor (die hij ook kreeg). We zagen elkaar in Poesjkin-stad en lunchten aan een meertje in de keizerlijke tuinen, waar we ons vergaapten aan een druk bevertje.

Moskou Zaterdagavond 14 juli vertrokken we met de trein naar Moskou in een coupé voor vier personen met comfortabele slaapstoelen-bedjes. De trein denderde voort. ’s Morgens werden we op het station van Moskou verwelkomd met nationale schallende muziek. We sleepten onze koffers trap op trap af naar een kluis, en ontbeten in een restaurant in het theaterdistrict, waar Moskouse mussen ons brood weg pikten. Vervolgens wandelden we naar het Conservatorium van Moskou, maar konden niet naar binnen. In de buurt van het Conservatorium is een plein waar een groot groen uitgeslagen bronzen beeld van Tsjaikovski staat. Delen van partituren zijn in een gietijzeren hekwerk gelast. Andrei zong de stukjes uit de partituur voor. Dit was eigenlijk de leukste gebeurtenis in Moskou.

Maar toen moesten we het verplichte nummer van het Kremlin nog ‘doen’. Het wordt omsloten door een dikke muur. We zagen de verzameling van kerken en paleizen, torens en elf gouden koepels, liepen over het Rode Plein, bewonderden de Basilius kathedraal met zijn kleurrijke, bonte koepels, maar gingen niet naar de opgebaarde Lenin kijken. Ook bezochten we Goem, 19e eeuwse universele staatswinkel, nu een veredelde P.C. Hooftstraat met kleding merknamen en etalages, waarin slechts één beeldschone jas of jurk prijkt.

Bus naar Volgograd Andrei’s vader is buschauffeur. Het was de bedoeling dat we met hem mee zouden rijden naar Volgograd, maar de bus was kapot. We namen een reguliere bus. Toen we uit Moskou vertrokken was het avond. De bus bleef echter om de stad cirkelen, reed een brug op en toen achteruit weer terug! Dit risico werd genomen, omdat meer passagiers mee moesten. We liepen vertraging op toen bleek dat de bus kapot was. Tijdens een stop ging de buschauffeur onder de bus liggen; er kwam een onderdeel uit en de bus werd met een hamer bewerkt. Bij een andere stop werd een waterspuit op de motor gezet. Het werd ook steeds warmer, snikheet! Een keer stopte de bus. Op de parkeerplaats was een houten hok als wc met een gat erin, zoals oude Franse wc’s, vol vliegen en stank. Onderweg zagen we uit het raam eindeloze zonnebloemvelden, uitgestrekte vlakten.

Tegen de tijd dat we de buitenwijken van Volgograd binnenreden was het bloedheet. We wilden de buschauffeur een fooi geven vanwege de zware reis, maar die wilde hij niet aannemen. We werden opgehaald door Andrei’s knappe moeder. Ze kwam ons enthousiast tegemoet. We stapten in een auto, waarin ze met een rotvaart door de grote stad reed naar het winterappartement van Andrei’s vader. Dit was ons logeeradres. We bleven echter niet lang, want gingen halsoverkop weer in haar auto op weg naar de datsja, het buitenverblijf waar zij met haar (derde) man, een popmuzikant, woont. Een mooi buitenhuis met entree van een poort begroeid met druivenranken, en bloemen, planten, groente, fruitbomen in de tuin. Daar wachtte ons een diner. Voor het zover was, moesten de mannen eerst de banja, de stoomkamer (van de buren) in. Daar stond een houtkachel met gloeiend hete stenen, waar water op werd gegooid, waardoor er veel stoom, hitte, hoge vochtigheid ontstond. De ruggen van de mannen werden bewerkt met gedroogde berkentakken, waarna een koud (kinder)bad in de tuin volgde. Na het eten volgden wij, de vrouwen. Het was een ware doop. Ik had het gevoel of ik in een comedy was beland met twee Russische vrouwen die me beetpakten en met takken op m’n rug sloegen. Uiteindelijk bleven we logeren in het huis van de buren, die hun slaapkamer tijdelijk voor ons hadden afgestaan. In het huis toonde buurvrouw Luba haar dichtbundel.

Wolga. De volgende dag, na een zwempartij in de Wolga, kregen we een excursie door Volgograd met een bezoek aan het gigantische W.O. 2 oorlogsmonument. Het verste punt van de Duitse opmars in de oorlog reikte halverwege 1942 tot hier, het voormalige Stalingrad aan de Wolga. Hier werden de Duitse troepen door het Rode Leger langzaam teruggedreven. In deze verschrikkelijke strijd zijn miljoenen Russen gevallen. Het enorme vrijheidsbeeld Moeder Rusland staat met haar zwaard in de wind. Ze wordt omringd door talloze oorlogshelden die in strakke Sovjet stijl zijn gebeeldhouwd. Daartussenin bevindt zich ook een enorme Pièta en een kerk. In de overdekte gedenkplaats zijn lijsten van namen van gesneuvelde soldaten gebeiteld in een mozaïek. Vier jonge soldaten houden de wacht. De soldaten hadden te lijden van de hitte. Terwijl zij roerloos op wacht stonden, werden hun bezwete voorhoofden met een droge zakdoek gewist en hun petten schoongeveegd door een soldaat. Dit hele gebeuren was meer dan indrukwekkend.

De daaropvolgende dag maakten we met Andrei's familie een uitstapje van 200 km. door toendra vlakten naar het Elton-meer bij de grens met Kazachstan. Een enorm zout meer met modderlagen op de bodem. Op die locatie werden we vanaf een hoogte door motorfietsen met aanhangbankjes vervoerd naar de diepte bij de zee. Daar lieten we ons drijven in het zoute warme water, smeerden ons daarna in met de zwarte modderklei uit de poeltjes op het strand en spoelden dit weer af in het meer. Het zout brandde in je schouders door de zon.

De avond voor vertrek, na het zoutbad, bezochten we Andrei’s vader en zijn (derde) vrouw in hun datsja en de familie, met grootvader en grootmoeder. Ze hadden uitgepakt met op het vuur geroosterd vlees en grote garnalen, blini’s (flensjes), kaas, salami, knoflook, brood, paddenstoelen, augurken, zelf geweekte grote tomaten, thee, bier en wodka natuurlijk. Door onze gastheren werd drie keer getoast: De eerste keer op het samenzijn, de tweede keer (zonder klinken) op de overleden familieleden en derde keer op de liefde. Tot laat in de avond werden (kozakken)liederen gezongen; we wisten nu zeker dat we diep in Rusland waren doorgedrongen. Het was een kater om juist de volgende ochtend heel vroeg naar het vliegveld te moeten. We namen afscheid van Andrei, zijn moeder en haar man en vielen in het vliegtuig meteen in slaap. Dat duurde echter niet lang, want we moesten overstappen op het enorme vliegveld van Moskou. Tegen de tijd dat we op Schiphol aankwamen, waren we nog daas van de vorige avond en heel gelukkig. We namen ons voor volgende keer echt goed mee te zingen.

Als ik niet onderweg van Arnhem naar Amsterdam in de auto op de radio geluisterd had naar een uur lang interview met filmmaker Sacha Polak, had ik waarschijnlijk niet zo gauw haar debuutfilm Hemel gezien. Omdat dat interview met de filmmaakster over de film zo intrigerend klonk, ben ik dus naar de film gegaan.

Al zit de camera voortdurend dicht op de bleke huid van Hemel, de naam van de hoofdpersoon (actrice Hannah Hoekstra), en hoewel de vele seksscènes behoorlijk intiem zijn, kon ik haar toch niet leren kennen. Dit uitzonderlijk koele meisje heeft namelijk iets onbegrijpelijks, vandaar haar naam Hemel. Het lijkt wel of zij zich ondoorzichtig tussen hemel en aarde beweegt. In één scène zelfs letterlijk, wanneer zij hoog op een dak staat tegen de blauwe hemel.

De film is verdeeld in hoofdstukjes; na iedere keer een stukje zwart volgt een scène. Dit doet wat stijfjes en saai aan. Ik betrapte me er op wat verveeld naar de mooie, lege beelden te kijken. Dat ruikt al gauw naar schön filmerij. En er is gegoocheld in de montage met continuïteit. Het doet denken aan typische ‘lege’ scenes uit andere hedendaagse films als Lost in TranslationGuernsey en Shame.

Tot ik echt geboeid raakte in de laatste scène. Want daarin is Hemel niet de magere schoonheid die je aldoor als toeschouwer hebt zitten opnemen. Ze is ook niet meer het meisje dat, rap van tong, naar mijn smaak zure humor ten beste geeft. Daar staat zij, alleen in de regen in een portiek bij het huis van haar minnaar om een glimp van hem op te vangen. Wat zal zij doen? Zal zij, op haar koele wijze, de ‘waarheid’ vertellen aan de vrouw van haar minnaar? Op dat moment is een emotie van een hulpeloze, verwarde Hemel te voelen. Ik heb wel gehoord dat een film moet eindigen waar hij opnieuw kan beginnen en zo eindigt Hemel. Dit onverwachte einde maakt de film heel speciaal.

Het oude Pompgemaal in Den Helder is in 2007 door het Fonds BKVB/Mondriaan Fonds omgebouwd tot atelier annex woonvertrek. Hier verblijven jaarlijks tijdelijk kunstenaars en kunstbemiddelaars die er een werk creëren en dit tentoonstellen aan de omringende bewoners. Ik had het voorrecht hier vijf weken in de winter van 2011 door te brengen.

Het bleek de volmaakte plek om mijn manuscript over beeldend kunstenaar Jan Schoonhoven te voltooien. In dit zelfgekozen isolement, een ‘leeg’ atelier in de duinen, moest ik als stadsmens wennen aan de eenzaamheid en stilte. Maar altijd en overal is daar tot in de verre omgeving de 57 m. hoge gietijzeren oranje-roze vuurtoren Lange Jaap zichtbaar. Overdag is het een vertrouwd landmark. ’s Avonds en ’s nachts geeft het bescherming, als om de 20 seconden de reflectie van zijn vier licht schitteringen verschijnen op de slaapkamermuur in het Pompgemaal.

De afgelopen twee jaar verbleven 19 kunstenaars in dit atelier. Hun werken zijn nu in Kunsthal 52 van Den Helder bij elkaar gebracht voor een tentoonstelling Residu 2. Tot 24 maart is een wonderlijke mix te zien van beeldende kunst, fotografie, schilderkunst, video. Het meeste werk reflecteert op de omgeving rondom het Pompgemaal.

De baken van licht maakte ook indruk op Saemundur Por Helgason, een Rietveld-student die met acht andere studenten in het Pompgemaal verbleef. Toen Saemundur ’s avonds zag hoe de enorme strook licht een troep dieren in de wei verlichtte, scheen het hem toe dat er een UFO was geland.
Nadat ik in de krant Den Helder op Zondag mijn interesse voor ‘Lange Jaap’ bekend had gemaakt, stapte op een dag een meneer van de Helderse historische vereniging het Pompgemaal binnen. Hij had een interessant boekje over de vuurtoren bij zich. Daarin staan onder meer de ontwerptekeningen, de naam van de bouwer, Quirinus Harder, en zijn levensgeschiedenis. Drie jaar na de bouw was hij overleden, in 1880. Is ‘Lange Jaap’ zijn magnus opus? In plaats van Harders foto koos de auteur een spreuk uit een wapen:  ‘non dormit qui custodit’, ‘hij die bewaakt slaapt niet’ . Harders portret is namelijk onvindbaar. Hoe zou hij er uit hebben gezien?

 

MoMa, wat is dat toch een leuk woord. En wat is dit Museum of Modern Art in New York City toch een leuk, mooi, groot museum. En wat trekt het museum enorm veel bezoekers, zoals nu, voor de gedurfde Willem de Kooning expositie. Maar de regels van de moderne tijd beletten me de weg in dit Walhalla van de moderne kunst.

Op maandagmorgen had ik nog een paar uurtjes voordat het vliegtuig terugvloog naar Amsterdam. Ik wilde mijn reis trolley zolang in de museumgarderobe plaatsen maar werd tegengehouden door een suppoost in uniform:  ‘No, you can’t take that in.’ De ervaring leert dat een ‘no’ van een geüniformeerde bij 'nee' blijft.  ‘Maar waar moet ik dan met dat ding heen?’ ‘Ga maar bij een hotel vragen om de hoek.’

Het Warwick Hotel is beroemd om de kunst uit de jaren 30 in het restaurant. Maar zover kwam ik niet, want werd daar tegengehouden door een geüniformeerde doorman:  ‘No you can’t take that in.’ Hij stuurde me naar het Hilton Hotel op de volgende hoek. Ik sputterde tegen hoeveel hotels ik moest aflopen om een simpel koffertje te bergen, waar de halve wereldbevolking mee rondloopt. Maar hij was alweer bezig met het openen van portieren van aansnellende gele taxi’s.

In het immense, chique Hilton werd het plafond in de hal gerepareerd. Een man stond op een hoge ladder, een groepje mannen in hoteluniformen tuurde naar het crèmekleurige plafond, als een scène uit een Tati-film. Kennelijk was daar net tevoren iets gevaarlijks naar beneden gekomen, want de hotelconciërge had een flinke pleister op zijn wang en zijn oog zag blauw. Toen ik compassie toonde, keek hij pijnlijk maar hield zich groot en stuurde me naar een andere hoek van het hotel, naar een berging voor koffers. Ik leverde de trolley in en kreeg een bon van de geüniformeerde bewaker. Een vrouw die daar stond zei dat het een godswonder was wilde je een koffer uit die volle berging terug kunnen vinden.

Willem de Kooning Terug in het MoMa. Op de zesde verdieping wurmde ik me door de vele bezoekers door om een glimp van De Koonings’ schilderijen op te vangen en viel van de ene verbazing in de andere. Wat een durf, die ‘De Koening’, zoals de Amerikanen hem noemen.  Je wilt op de een of andere manier De Kooning toch als een Hollandse schilder zien, terwijl hij al voor de oorlog naar Amerika emigreerde en hij het grootste deel van zijn leven aan de Amerikaanse oostkust woonde en werkte.  Ik kan het niet laten er een gelijkenis met het werk van Lucebert in te zien. Maar wat een kleur, wat een vorm, wat een hoeveelheid, wat een grootte!

Ik nam de roltrap naar beneden voor de permanente collectie. De sensatie die de collectie oproept ken ik van vroeger in het Amsterdamse Stedelijk Museum als iets vertrouwds, éven naar Morandi, éven naar Mondriaan te kijken. De schilderijen waren er altijd en iedere keer zag je ze opnieuw, anders. Je moet tegenwoordig naar New York om die sensatie terug te krijgen.

En daar hangen en staan ze, de Morandi, de Brancusi’s, de Picasso’s. Ik zie een vrouw voor Picasso’s grote doek Les Demoliselles d’Avignon staan en vraag me af hoe het komt dat naakt nergens in Amerika mag, behalve in een museum. Ik zoek naar Braque. Ook hij is er, met een landschap waar ik lang naar tuur en het mis als ik de zaal heb verlaten, alsof ik ben vergeten het schilderij mee te nemen. En wie is daar? En jawel, vier streepjes pentekeningen van Jan Schoonhoven, zo zorgvuldig, minuscuul, precies. Schoonhoven in New York, hier in de MoMa, in goed gezelschap.

Ik dwaal langs de enorme boekenkasten vol mooie kunstboeken waar bezoekers bedachtzaam boeken bekijken. Hoe was dat vroeger ook alweer, in de bibliotheek van het Stedelijk Museum? Hoelang is deze er niet meer? Het gemis geeft even een hopeloos gevoel.  Even hopeloos is het daarna, weer met de trolley in een rij te wachten op de bus naar het vliegveld in een donkere, vieze tunnel. Een geüniformeerde buschauffeur schreeuwt naar elke passagier: ‘Airline?!

Op het vliegveld word ik bij de scan tegengehouden door een veiligheidsagent:  ‘No, you can’t take that.’ Ik moet terug naar de check-in hal omdat er een tube in de trolley zit die groter is dan de toegestane afmeting. Ik ben woedend en reageer kortaf tegen de Air France baliemedewerker in uniform. ‘You don’t have to get angry at me’,  zegt ze. Nee, natuurlijk niet. Weet zij veel dat ik die ochtend al twee keer eerder ben tegengehouden.

In het vliegtuig zie ik Midnight in Paris van Woody Allen. Wat een leuke film. Picasso komt er in voor. En daar zijn ook Gertrude Stein, Hemingway, Scott en Zelda Fitzgerald, Luis Bunuel. Eigenlijk zijn ze er precies zoals ik me ze voorstel.

Soms leef je even in een andere tijd, net als de schrijver in de film van Allen. Natuurlijk hoef je een andere tijdsperiode niet te idealiseren. Maar ik weet zeker dat er een tijd was dat je niet voortdurend door een geüniformeerde werd tegengehouden met ‘No, you can’t take that.

Als filmregisseur Bertolucci de kans kreeg zijn meesterwerk Novecento in de 21e eeuw te vervolgen, wat zou je dan zien?

Dit vroeg ik me af tijdens het kijken naar de 5 uur durende film Novecento (1900) die door de Vpro in het kader van Zomergasten werd uitgezonden. De Amerikaans-Italiaanse film uit 1976 was (gelukkig) de keuzefilm van Verhofstadt en wat de Belgische ex-premier verder over de film zei, heb ik gemist. Ik zag het staartje van de uitzending met een scène uit de opera Orfeo en Euridice, een krachtig, toepasselijk einde van de uitzending.
De film 1900 begint met de aankondiging van de dood van de Italiaanse operacomponist Verdi in 1901 en eindigt vlak na de Tweede Wereldoorlog. De film vertelt het verhaal over de twee Italiaanse jongens Olmo en Alfredo. Ze zijn op dezelfde dag geboren, komen uit dezelfde Parmezaanse streek en zijn ‘vrienden’. Het is een soort onmogelijke vriendschap vanwege een niet te overbruggen verschil in afkomst. In de roerige tijden waarin ze opgroeien wordt dit klassenverschil alsmaar groter.
Terwijl ik agrarische openluchtmuseum-beelden in Novecento voor m’n ogen zie langstrekken, ben ik geneigd hier hedendaagse beelden aan toe te voegen. Hoe is de moderne tijd in deze authentieke plaats doorgedrongen? Is het landgoed hersteld, raast er een snelweg langs, is het een olijfoliedistributie of een park geworden? Hangen er gigantische reclameborden, extravagante foto’s? Lopen er nerveuze mensen rond met mobiele telefoons? Wordt de geschiedenis van hun voorvaderen alleen nog herinnerd op nostalgische foto’s van zwoegende arbeiders in witte hemden die samen met de vrouwen op hooiwagens de oogst binnenhalen? Wat is overgebleven van de ideologie?
Politieke bezetenheid Tussen 1974 en ’76 in het noorden van Italië, werd ik getroffen door een politieke bezetenheid en scherpe tegenstelling tussen links en rechts. Nadat een jongen in de straten van Florence door de politie was doodgeschoten stond er een grote foto van zijn lijk in de krant met een schreeuwende kop wie deze jongen in de steek had gelaten. Daarop kwamen plotseling communisten in actie. Ineens waren de Florentijnse straatjes roodgekleurd van vlaggen, overal hoorde je stemmen galmen. 'Iedereen' leek over politiek te praten. En er zaten anarchisten tussen die verder met niemand of iets te maken hadden.
Zou Bertolucci ooit hebben kunnen vermoeden dat zijn grootse epische film voor het bioscoopdoek veertig jaar later verkleind terug te zien zou zijn op een pc en dat discussies via een scherm gevoerd zouden worden? Zou hij geweten hebben dat iemand als Berlusconi zou opstaan die het land jarenlang in de greep zou houden waardoor zo’n film niet meer gemaakt kan worden?
In 1995 beweerde Bertolucci nog dat hij Novecento wilde afmaken, vanaf de Tweede Wereldoorlog. Ik zou zeggen: begin meteen aan de 21ste eeuw. Is het archetype landeigenaar - vertolkt door Burt Lancaster - de nieuwe Berlusconi? Is de rol van de feodale landeigenaar op die manier inwisselbaar?
Bertolucci komt uit de regio Emilia. Hij verbeeldde de geschiedenis van zijn streek. De sterkste rollen zijn van Lancaster, Donald Sutherland als de fascist Attila en Gerard Depardieu als Olmo. Deze film werkt in zijn lengte zo dat de acteurs in hun rol groeien. Als je Depardieu als de zo lijfelijk aanwezige boer in 1900 bezig ziet, verwonder je je er niet eens meer over dat hij onlangs in een vliegtuig heeft staan plassen. Bertolucci wilde Jack Nicholson voor de rol van Alfredo. Hij is de derde generatie landeigenaar die geen beslissingen kan nemen, waardoor hij een nog grotere ravage aanricht. Je kunt je de grimmig satanische Nicholson goed in de rol voorstellen, misschien wel beter dan Robert de Niro.

Links goed, rechts fout Het was zondagnacht zomaar even 1900. De film laat me niet meer los. Zoals in 1976 de (kortere) filmversie me niet losliet. Bertolucci’s overdadige marxistische ideologie die hij verbeeldt in clichébeelden - links altijd goed, rechts altijd fout - kan ik nu zomaar accepteren. Waarom? Misschien komt het omdat de ideologie net zo schilderachtig is geworden als op het prachtige schilderij Il quarto stato van Giuseppe da Volpedo uit 1901, waarmee de film begint: een optocht van landarbeiders, voorop twee mannen en een vrouw met kind.
Terwijl ik de opstand van de vrouwen in 1900 meemaak, denk ik ook terug aan een bezoek aan de Parmezaanse stad Reggio Emilia, een paar jaar geleden. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben Emiliaanse vrouwen hier een educatief netwerk opgebouwd.  De creatieve scholing van kinderen begint hier al in crèches. Deze crèches zijn voorbeeldige plekken waarin creativiteit in de ruimste zin wordt ontplooid. Van heinde en ver komen mensen uit het educatieve veld naar Reggio Emilia. De plaats lijkt uitgegroeid tot een ware industrie. Welke impact heeft dit?

Stel je voor: Je krijgt een uitnodiging naar St. Petersburg te komen om in deze stad met 7 miljoen inwoners de bijna uitgewiste voetsporen te volgen van een vergeten voorvader. En om in het statige Petersburgse Rimsky Korsakov conservatorium live de muziek van deze voorvader te horen. Tijdens de witte nachten, als de zon zo laat ondergaat en de stad door het poollicht wordt beschenen, leefde ik afwisselend in heden en verleden als in een tijdmachine.

Daar zit hij, voorvader Nicolai of Nicolaus von Zaremba (1821-1879),  een zeldzame foto. Baard - in die tijd ook baarden - achterovergekamd steil donker haar, half lang, enigszins dichtgeknepen ogen. Dit kan zijn veroorzaakt door flitslampen die de ogen zowat verblinden.
Zwarte glimmende jas, overhemd met manchetknopen, strikje onder kraag. Zijn rechterhand gestoken in linker borstzak, Napoleons kenmerkende pose. De pose schijnt de mode te zijn geweest. Boek op zijn schoot, rechter-elleboog leunend op een tafeltje waar een hoge hoed op ligt. Ik bestudeerde de foto. Is iets aan zijn gezichtsuitdrukking af te lezen? De donkere baard verbergt dit. Hij kijkt vriendelijk, serieus. Gedreven komt hij op me over. In de ogen, oogleden, kan ik iets bespeuren van mijn grootmoeder Adelaïde Heemskerk. Hij was haar grootvader. Ze heeft hem nooit gekend.

Anastatia Grootmama’s verhaal over Anastasia Nikolaevna, de jongste dochter van de vermoorde tsaar Nicolas II en Alexandra, intrigeerde me. Anastatia zou de enige overlevende zijn van de tsarenfamilie. In de jaren 1920 was ze opgedoken in Berlijn. Ze beweerde dat ze de tsarendochter was die voor de executie van haar familie was gered door een Russische rode soldaat die haar had laten vluchten. ‘Anastatia’ werd echter niet geloofd en leefde als Anna Anderson in een huisje in het Zwarte Woud.
Zo nu en dan verscheen een artikel in een tijdschrift over Anastatia en het gruwelijke lot van de tsarenfamilie. Grootmama las zulke verhalen gretig aan het ontbijt in haar dikke ochtendjas. Daarbij voerde ze in de thee gedoopte koekjes aan haar honden Bobbie en Peetja. Dan zei ze dat ze geloofde dat Anastatia’s verhaal waar was. Ik staarde naar de foto’s van de tsarenfamilie en verbeeldde het me; ik wilde graag geloven dat het meisje in die mooie lange witte jurk gered was. Ze was immers onschuldig.
In zo'n tijdschrift stond meestal een zeldzame, vage foto afgedrukt van Rasputin, een rijzige man met een lange, zwarte baard in een monnikspij. Hij bezat bijzondere spirituele gaven. Hij was aan het hof om de enige zoon Aleksej te begeleiden. Aleksej was ziekelijk en verzwakt. Rasputins invloed was te gevaarlijk en prins Felix maakte korte metten met hem. Maar volgens het overleveringsverhaal lukte dit niet door vergiftiging en kogels. Rasputin werd in de Neva geworpen waar hij verdronk.
Op die manier raakten wij, de klein-kleinkinderen van Nicolai Zaremba vertrouwd met het oude, keizerlijke Rusland als een grimmig sprookje. Grootmama’s huisje in het bos waar 'natuurlijk' een berkenboom in groeide, droeg daar toe bij. In de voorkamer stond een divan met een dik kleed. Er hing een schilderij van een Russisch sneeuwlandschap in rossig avondlicht. In de boekenkast stonden boeken van Tolstoj en Dostojewski.  Ik was zo gefascineerd door de kaft van Tolstojs boek Kinderjaren, een schilderij van een meisje in een roze jurk in het gras, dat ik het begon te lezen. Telkens legde ik het weer weg, de woorden waren te moeilijk. Op de boekenkast stond een opgezette papegaai, Gerrit. Hij was van haar vader, grootpapa Heemskerk geweest. Hij had altijd met Gerrit gesproken. Nu zei Gerrit niets, al verbeeldde ik me dat hij knauwend riep.
Het leek of alle dingen in grootmama’s huisje met een toverstokje waren aangeraakt. Zoals een mandje vol sleutels, waarmee de deuren van huizen en hotels van verre familieleden kon binnenkomen en de zoete, wrede verhalen werkelijk kon beleven. Die fantasie was aangewakkerd door het geïllustreerde boek Alice in Wonderland, waar ik de plaatjes van kon dromen.

Zaremba In grootmama’s voorkamer stond een vitrinekast, de 'muziekkast'. Daarin waren de schatten uit het oude Rusland deels zichtbaar. Daarin lag ook Zaremba’s dirigeerstok met ingelegde edelstenen, muziekstukken- en gedenkboeken van het conservatorium, familiedocumenten uit Polen en Letland. En het  oude speelgoed, Russische poppen met starende ogen en porseleinen zeemeerminnetjes waar we mee mochten spelen.
In 1930 was Adelaïde katholiek geworden, ze heette nu Maria. Ze hield het hoofd boven water met vertalingen maken uit het Russisch, Duits, Italiaans. Tot diep in de nacht tikte ze op haar typemachine. Ze verdiende slechts een stuivertje met dit vertaalwerk.  Toch deed ze dit liever dan de memorabilia van de Russische familie verkopen. Geen sprake van dat ze ooit naar Rusland zou reizen, Rusland was gesloten achter het ‘ijzeren gordijn’. Wel onderhield ze contacten met Oost-Europeanen. In haar ogen waren Oost-Europeanen bijzonder, ze sprak over ze met een tikje medeleven. Nederlanders noemde ze ‘de Hollanders’, alsof zij en wij daar niet bij hoorden. Maar waar dan wel bij?l
Haar naam wordt door ons nog steeds op een tere manier uitgesproken. Vergeleken bij de chaos in ons ouderlijk huis heerste bij haar rust en een wereld – zij zei wèreld op z’n ouderwets – van verbeelding. Baboesjka was het eerste Russische woord. Bij haar waren ook altijd ‘lekkertjes’. Zo'n zestien jaar heb ik haar meegemaakt, ze stierf in 1969. Ik denk niet vaak bewust aan haar. Ze is onbewust in mijn herinnering. Tijdens deze reis en daarna heb ik weer bewust aan haar gedacht.

Conservatorium In afwachting van de viering van het 150-jarige bestaan van het  Petersburgse conservatorium in 2012 wordt nu aandacht gegeven aan de oprichters en eerste docenten. Op de historische afdeling wordt nu studie gedaan door Andrei A. Boretsky, een 25-jarige muziekhistoricus. Hij is tevens dirigent en heeft Zaremba’s muziek uitgevoerd en op cd uitgebracht. Toen hij in januari 2011 een bezoek bracht aan Amsterdam hoorden we  zodoende Zaremba's muziek voor piano en koor voor het eerst. Sindsdien wordt Andrei op handen gedragen. De in de familie zorgvuldig bewaarde dingen worden nu geëxposeerd in het conservatorium. Alle spullen zijn na 130 jaar weer terug op de plek waar ze vandaan kwamen en worden daar nu gezien.
Opmerkelijk hoe Andrei onze familie heeft gevonden. Via Facebook is hij terecht gekomen bij Jacob en Frederik Heemskerk. Daarna is het balletje gaan rollen. Zonder internet hadden we nog niks geweten. Het zorgt er ook voor dat e-mails uit de vertaalmachine komen in grappig Engels.

St. Petersburg Eerder twijfelde ik er naar toe te gaan. Kon ik daar de sprookjesachtige sfeer terugvinden uit mijn grootmoeders verhalen, of wilde ik ze juist koesteren? Wel was ik op zoek naar familie. Zo had ik met Kees Hin en Rolf Orthel een film gemaakt over Russische vrouwen in Nederland, De salon van het verdriet (1978).  De film was wel begonnen uit interesse voor familie geschiedenis, maar toch durfde ik hier toen niet persoonlijk over te zijn. De uitnodiging van Andrei naar St. Petersburg te komen kwam als geroepen.
Ook Andrei bleek geroepen door een helderziende in de familie, Elena Loginova. In 2009 had zij het conservatorium benaderd over dat de tijd gekomen was om Zaremba’s naam te herstellen met de plechtige boodschap: ‘Alle natuurprocessen zijn cyclisch, na de nacht begint een nieuwe dag met de zonsopkomst. Als de gedachten, gevoelens en daden van Nikolai Ivanovitsj Zaremba de hoogste norm van moraal, professionaliteit en liefde voor mensen in zich dragen en uit de obscuriteit komen, betekent dit Gods plan de moraal en cultuur voor onze natie te doen herleven.’ En Andrei’s eerste daad was de restauratie van Zaremba’s graf op de Lutherse begraafplaats Volkov.

Bij aankomst op het Pulkovo vliegveld, nadat mijn zoon Olivier, vriend Erik en ik flinterdunne douanepapiertjes hadden ingevuld, stond Andrei ons op te wachten met bloemen. Daar waren ook mijn zus Clara, haar man Tom, nichtjes Amanda en Alexandra. We werden in een busje vervoerd naar een buitenwijk van de stad, waar we een kamer kregen in een studentenhuis.
De wijk stond vol hoge, rechte, faal gele flatgebouwen zonder balkons. De vrouwen in de omgeving leken jong of oud. De jonge droegen veel make-up, korte rokjes, superhoge hakken. Ik vergaapte me er aan met mijn nichtjes. Veel mannen hadden een fles bier in de hand, her en der lagen lege bierflessen. Met Andrei's kenmerkende vliegende vaart, gevolgd door Olivier met de camera, leidde hij ons naar de supermarkt. Daar kocht hij flessen bier en snacks. Vervolgens leidde hij ons langs de flatwijk tot de oevers van de Finse Golf voor een picknick. Daar zaten we onze aankomst te vieren, tussen rommel, kwakende kikkers en muggen. Het leek even of we aan het Amsterdamse Nieuwe Meer zaten. Met dit verschil dat je overal berkenbomen zag. De berk! Ik dacht aan Tatiana, het Russische meisje uit de film De salon van het verdriet. Zij vertelt in de film dat ze heimwee krijgt naar Rusland zodra ze in Nederland een berk ziet staan. In de avond - nog zo laat licht - maakten we opnieuw de wandeling,  en nog verder tot we aan de Finse Golf ver weg het centrum van St. Petersburg zagen liggen in rossige avondgloed.

St. Petruskerk  Van alle plaatsen die we met Andrey bezochten en de bijna uitgewiste sporen volgden, is de Lutherse St. Petruskerk bij de Nevsky Prospect wel het meest opvallende monument. Want uitgerekend deze kerk, waar Nicolai Zaremba trouwde met Adelaïde von Klugen en daarna Lydia Zaremba met Theodoor Heemskerk, is gedurende de Sovjettijd een zwembad geweest! Een duikplank verving het schilderij van de kruisiging. Er zijn zoveel kerken, dat het niet eens zo raar lijkt deze om te vormen tot een functioneel zwembad. Nu hebben Lutheranen de kerk hersteld. Foto’s herinneren aan het oorspronkelijke interieur en het zwembad.

Als ik de trappen van het conservatorium met twee treden tegelijk oploop, moet ik weer denken aan mijn grootmoeder die vertelde dat het Zaremba’s gewoonte de trap op te hollen met drie treden tegelijk. Maar er is geen spoor: Zaremba heeft het conservatorium in de huidige staat niet meer meegemaakt. Er waren twee andere conservatoria voordat deze werd gebouwd. Om de huidige te bouwen was veel geld nodig. Dit zou een reden zijn waarom de naaste familie na Zaremba’s dood geen pensioen meer ontving.
In een kamer van de historische afdeling was hier de expositie ingericht van de eerste directeuren en docenten. In vitrines lagen de door de familie bewaarde spullen en documenten. Het ontroerde. Evenals de uitvoering van zijn muziek voor piano en koor met Andreis vrouw Irina Andryakova, met een prachtige sopraanstem.
En dan waren er buitengewone ontmoetingen met verre onbekende familieleden uit Californië, Litouwen, Moskou, St. Petersburg. Onder leiding van ‘neef’ Sluchevsky bezochten we de Hermitage tot we even schoon genoeg hadden van kunst.

150 jaar En nu? Het verhaal wordt vervolgd door de achter-kleinkinderen. In Zwitserland hopen we meer muziek van Zaremba te vinden. We kennen al zijn muziekstukken nog niet. Zeker weten we dat Zaremba een goede leraar was, van niemand minder dan Tsjaikowski. In de Tsjaikowski biografieën komt Zaremba er echter bekaaid af. Volgens mijn grootmoeder vond hij Tsjaikowski ‘wel zeer begaafd, maar te modern’. Wat betekent dat, en voor zijn eigen muziek?
Misschien vinden we nog muziek waarin hij volksmuziek heeft verwerkt, de Poolse origine van de Zaremba’s. Mijn grootmoeder vertelde dat het dansen van de mazurka hem in het bloed zat!
Tijdens de officiële 150-jarige herdenking van het conservatorium in 2012 zal opnieuw veelvuldig worden gespeecht, getoast. Tijdens een diner in een Kaukasisch restaurant hebben we tussen het eten, drinken, dansen door een toast uitgebracht op mijn grootmoeder en de familie om te memoreren hoe geweldig ze deze rehabilitatie zouden hebben gevonden. Als ik wodka zal drinken zal ik giechelen. Het zal je ook maar overkomen, zo ineens.

Bij aankomst met de bus in het schitterende havenstadje Githion aan de azuurblauwe Middellandse zee, ligt het centrum bedolven onder een berg vuilnis. Ik loop er met een grote boog omheen. Hoe is dit nu mogelijk in dit prachtige stadje?’ vraag ik aan de bus employee in het busstation annex café. Met zijn handen wrijft hij door zijn zwarte, gladde haren en zegt ernstig: ‘We hadden een vuilnis dump, maar die is illegaal. Volgens de regels van de Europese gemeenschap moeten we een vuilverbrandingsoven bouwen, maar we weten niet hoe en waar. We zijn erover aan het praten.’

Zo blijken er nog meer onopgeloste zaken: In het paradijsje waar we logeren aan de uiterste punt van de Peloponnesos valt de elektriciteit regelmatig uit en daarmee ook de waterpomp. En is er een verstopte doucheafvoer en riolering; wc-papier moet worden gedumpt in een emmer. Zodra een probleem is verholpen begint men te juichen. Maar de oplossing is slechts tijdelijk. Het lijkt of men gewend is aan die ongemakken, alsof ze gewoon horen bij de dagelijkse afwas en boodschappen doen. Die levenswijze is zo gangbaar. Hoe is het mogelijk die aan te passen aan de Noord-Europese norm? ’s Avonds na het diner praten we over deze kwesties met de restauranteigenaar. Bij alles dat ter sprake komt, blijft er iets steken in een probleem: als het over verbetering van welvaart voor de Grieken gaat - de export van de super olijfolie - blijkt de concurrentie met de Italianen en hun betere marketing een probleem. Gaat het over zon-energie, dan blijken zonnepanelen te duur om daarmee een huis van energie te voorzien. De zaken zien er weinig hoopvol uit. Het enige dat altijd een positief gesprek oplevert is voetbal.

Ondertussen verzamelt ongedierte zich tussen de vuilnishopen in Githion. De stank begint ondraaglijk te worden. Als we na twaalf dagen weer vertrekken, blijkt er dan toch schot in de zaak te zijn gekomen: Mannen met kappen voor hun gezicht laden de vuilnis op enorme vrachtwagens. De vuilnis zal naar Athene worden vervoerd naar vuilverbrandingsoven aldaar. Dit is een tijdelijke oplossing, die veel geld kost.

Maar wat tref ik thuis aan? Een enorme vuilnishoop voor de deur! Oost west, thuis best? Dat valt te bezien.

In het Filmmuseum, tijdens het kijken naar de film ‘Les Demoiselles ont eu 25 ans’ van Agnes Varda, rolt zomaar een traan over mijn wang. Zomaar?

De film voert terug naar het jaar 1966. Mijn zusje Clara en ik zitten op de christelijke middelbare meisjesschool 'Van Limburg Stirum' in Arnhem. Daar krijgen we extra lessen in Franse conversatie van mevrouw Ploeg. Ze is streng en ook aardig. Ze vindt dat we beroepsmatig met Frans moeten doorgaan.  De taal heeft voor ons echter een ander doel, want we hebben het stadium jongens en Frankrijk bereikt. We vinden Franse jongens leuk, leuker dan Nederlandse. Franse jongens zingen ‘je t’aime’, terwijl Nederlandse jongens je pesten als je naar Franse muziek luistert. We vinden alles in Frankrijk beter: de taal, muziek, films en sterren van Sylvie Vartan, Francoise Hardy, tot Jean Paul Belmondo en Alain Delon. We lezen over ze in de tijdschriften Salut les Copains en Mademoiselle Age Tendre, knippen foto’s uit en kunnen niet wachten tot de week voorbij is om onze slome Ryam schoolagenda’s op te vullen met hun super fotootjes.
Zo zijn we ook op de hoogte van de muziekfilm Les Demoiselles de Rochefort, die de cineast Jacques Demy maakt in Rochefort met de mooie zusjes Cathérine Deneuve en Francoise Dorléac in de hoofdrol. Deneuve hebben we eerder gezien in de Arnhemse Luxor bioscoop in een andere musical van Demy, Les Parapluies de Cherbourg (1964). Een meeslepend drama, helemaal gezongen op muziek van Michel Legrand. Maar de jongens hebben de voorstelling verpest, omdat ze niet tegen het zingen kunnen en aldoor ‘Non!’ roepen te blèren door de zaal.

Kamperend op vakantie in Normandië met onze ouders en jongste zus, gaan wij 's avonds naar het Casino om Les Demoiselles de Rochefort te zien. Als francofielen moeten we de film wel mooi vinden; we bewonderen de zusjes, hun witte in pastelkleur afgebiesde jurkjes en de aankleding. Binnen een mum van tijd zoemt het liedje ‘nous sommes les deux jumelles, né sur le signe des Jumeaux, mi fa so la mi re, mi fa so so so re do’ door onze hoofden (al vinden we in stilte dat de zusjes niet echt goed zingen).
We verdiepen ons er niet in wat de film doet voor Rochefort, beseffen niet dat de stad met de film op de kaart is gezet. De stad blijkt er zelfs zo blij mee, dat bij het 25-jarig bestaan in 1992 feest wordt gevierd. Demy’s vrouw, de innemende cineaste Agnes Varda en de altijd prachtige actrice Catherine Deneuve worden uitgenodigd om het feest op te luisteren. Er is genoeg reden voor melancholie, want zowel Demy als Francoise Dorleac zijn dood. Niettemin gaan ze op de uitnodiging in, zijn goedgehumeurd. Varda maakt opnamen van alles en iedereen. En monteert deze met eerder gemaakte opnamen in Rochefort. Ze maakt het tot Les demoiselles ont eu 25 ans, de film waar ik naar kijk. Het is een vrolijke boel, de filmscènes èn de repetities, de outtakes met Gene Kelly, zingend en dansend door de stad zijn meesterlijk.
Dan komt ineens een ver verborgen herinnering van de vakantie bovendrijven. Daar is het strand, de ontmoeting met Franse jongens, slokjes cola, zoenen in het Casino en in de tent, oelala en tralala…En dan...de terugreis in de auto naar Nederland. We zijn bruin, onze haren blond van zon, net als onze Franse idolen. ‘Mi fa so la mi re, mi fa sa so so so re do’ zoemt het door onze hoofden. Terwijl de beelden langstrekken, de herinnering aan de 25e verjaardag van de film, voel ik ineens het liefdesverdriet na de leuke zomervakantie. Alsof het nooit meer over zou gaan. En rolt een traan…
Toen de Franse jongen me daarna uitnodigde met kerstmis naar zijn woonplaats Nantes te komen, ging ik niet.  Ik had daar nooit meer aan gedacht, tot ik Les Demoiselles ont eu 25 ans zag. Wat zou er gebeurd zijn als ik wel was gegaan, hoe anders zou mijn leventje gelopen zijn? Het liedje zit weer in m’n kop. De agenda is er nog. Op de 1e bladzijde naast het lesrooster is een fotootje uit de film geplakt.

Heel even was ik weer 15. Ik zou nog wel eens zo zorgeloze vakantie willen vieren. Wat een verrassing, wat een troost. Je vous remercie, madame Varda.

 

Wat gaat er om in het hoofd van cameraman Robby Müller? Wat ziet hij voor zich? Kan ik in zijn kop kijken? Is deze soms gevuld met lichtinvallen, kaders en camerastandpunten? Ziet hij opnamen van Down by Law, Barfly of Paris Texas? Of honderd camera’s waar hij de regie over voert in Lars van Triers Dancer in the Dark? Ziet hij regisseurs en hun typische trekjes? Hotelkamers in onbekende steden? Een brandende palmtak tegen de lucht, die uitdijt als hij in de fik staat, in Steve McQueens Carib’s Leap?

Dit vraag ik me af vanaf het balkon in de grote zaal van Paradiso waar Robby Müller met zijn familie beneden in de zaal zit. Weldra zal hij de Bert Haanstra oeuvreprijs van het Filmfonds ontvangen. Actrice Johanna ter Steege is de gastvrouw. Ze komt het podium op in een vrolijk gekleurde broek. Ze is twee keer te zien, als poppetje op het toneel en schrikbarend groot op groot scherm als een Alice in Wonderland. Haar microfoontje blijft aanstaan, als ze tussen de programmaonderdelen door tussen de coulissen fluistert met de toneelmeester over de volgende acte de présence.
Vervolgens zien we op het grote scherm een compilatie van Müllers filmwerk. Het zijn ronduit schitterende momenten, die de genialiteit uitdrukken van deze cameraman van het licht. Alsof hij uitvoerig schilderijen heeft bestudeerd en overgezet op film, waarbij hij gebruikte maakte van natuurlijk licht. Er wordt beweerd dat hij in het voetspoor treedt van de sublieme schilder Vermeer. Maar ik associeer het met de sfeer op de schilderijen van Edward Hopper. Die beelden van lege ruimten, een enkel mens, spaarzaam licht, stilte in een eenzame wereld.
Comedy en licht. Het interview met Müller over licht schiet me ineens te binnen. Ik maakte het met hem voor de Hollywood Reporter op het Rotterdamse filmfestival. Wat was de aanleiding, een film van Roberto Benigni? Ja, het ging over comedy; het zal Il Piccoli Diavolo uit 1988 zijn geweest. Een mooie, lichte film. Wat zei hij? Dat het filmen van comedy anders is: 'Comedy heeft een ander type belichting nodig, meer licht, helderheid.'

Licht beïnvloedt je stemming. Mensen in het noorden hebben in de wintermaanden bij gebrek aan daglicht extra licht nodig om zich prettiger te voelen. Ik was me er niet eerder van bewust dat comedy's vrolijk stemmen vanwege het vele licht. Dat had hij toen fijntjes uit de doeken gedaan.

Stofjas Terug naar de feestelijke avond in Paradiso, waar Müller lovend wordt toegesproken door Wim Wenders en Jim Jarmusch. Karakteristieke regisseurs, met wie hij buitengewone films draaide. Ze zeggen allebei dat hun films er door zijn camerawerk zoveel beter op zijn geworden, beter dan ze ooit konden dromen of bedenken. Wenders, in lange stofjas-pandjesjas, kijkt treurig, zoals altijd. Somberheid troef voor deze serieuze man die zo fanatiek van film houdt als een ander van voetbal. Jarmusch is wat lichter van toon en uiterlijk. Ook hij kan zijn emotie niet helemaal bedwingen. Zeker ook omdat hij onder de indruk is van de live muziek van de band.
Dan is het (Engelse) woord aan minister Plasterk, die zich in Müllers vakwerk heeft verdiept. Met zijn vrouw bekeek hij een film met de opdracht alleen te letten op het camerawerk. Maar op den duur werden ze toch in het verhaal, de spanning gezogen. Daarna leest een in het wit geklede Nelleke Noordervliet als jury voorzitter het juryrapport voor. En ontvangt Müller tenslotte uit Plasterks handen de cheque en een beeld, de award. Het is een metalen figuur met een punt, zo lijkt het van een afstand. Müller plaatst de punt van het beeld aan zijn kin als een spies. Met zijn bijna 70 jaar en onophoudelijke werk – soms draaide hij wel drie grote films in één jaar – is hij versleten. En spreekt zijn aardige vrouw plaatsvervangend op het toneel.
Na afloop krijg ik de kans hem te feliciteren. Hij kijkt me doordringend aan. Wat ziet hij, als hij me aankijkt? Een kader, lichtval, standpunt? En wat bedoelt hij, als hij daarop zacht zegt: ‘Nog niet’? Nog niet de ultieme film, het ultieme shot? Of gewoon nog niet naar huis? Ik wou dat ik het wist.