Skip to content

columns

In het New Yorkse Metropolitan Museum hangt een zelfportret van Rembrandt uit 1660. Daarop kijkt hij je niet echt vrolijk aan, Je ziet een bezorgde blik in zijn  vriendelijke gezicht. Een zwart fluwelen baret schuin op het hoofd, baardje, kettinkje, bruine jas, opstaande kraag. De intensiteit waarmee hij zichzelf heeft geobserveerd is fascinerend. Wat wil hij zeggen, wat fluistert hij? Hoor ik het goed? ‘Ik wil hier niet hangen in New York, ik wil naar Amsterdam.’

Wie zegt Rembrandt, zegt Amsterdam. Dit zelfportret maakte me nieuwsgierig naar de tijd waarin het geschilderd was. Een pijnlijke geschiedenis kwam aan het licht. Hij woonde niet meer in het Rembrandthuis, maar was in 1658 genoodzaakt te verhuizen naar Rozengracht 184. Hij was failliet. Tijdens de verhuizing met een boot was een grote verzilverde spiegel – waar hij zeer aan gehecht was – ter hoogte van de Ruslandbrug gebarsten en in duizenden stukjes versplinterd.

Hij woonde aan de Rozengracht met zijn vriendin Hendrickje. Zijn zoon Titus had een kunsthandel beneden in het pand. Rembrandt was in de zaak opgenomen om hem tegen schuldeisers te beschermen. Tegenover zijn huis - aan de andere kant van het water van de Overtoom - bevond zich een permanent circus (De Nieuwe Doolhof) waar hij vaak kwam. De buurt was geen achterbuurt. In de Jordaan woonden de schilders, maar Rembrandt zag ze niet. Zijn inboedel was eenvoudig. Er bestaat een lijst van. Er stond aardewerk op tafel, er was tin om uit te drinken en schoon linnengoed.

Rond 1650 haalde schilder Govert Flinck de grote opdracht binnen voor het nieuwe stadhuis op de Dam: acht enorme schilderijen met taferelen uit Tacitus’ beschrijving van de Bataafse opstand tegen de Romeinen. Het was bedoeld voor de galerij rond de ceremoniële hal. Begin 1660 stierf Flinck plotseling. Daarna kregen onder meer Jacob Jordaens en Jan Lievens de opdracht. Rembrandt werd aangetrokken om de historie te schilderen van de Batavierenleider Claudius. Rembrandt las uit Tacitus over barbaarse rituelen en over dat Claudius één oog miste. Hij besloot dat zijn afbeelding geen handdruk maar een barbaars, rumoerig tafereel moest verbeelden.

Dit schilderij, zijn grootste van 6.5 x 6 m. vol kleur, bruinengelenroodoranjegoud heeft een paar maanden in het stadhuis gehangen. De regenten waren het er niet mee eens dat hij de Republikeinse held Claudius als een bandietenkoning had weergegeven. Rembrandt kreeg het doek terug, maar kon het niet bergen. Hij kliefde er zelf met zijn mes doorheen en bracht het terug tot de helft, 1.96 x 3.09 m. Dit overgebleven doek hangt sinds ca. 1734 in het museum van Stockholm.

Rond 1660 was Rembrandt een figuur die controverse uitlokte. Zijn reputatie trok zowel verdedigers als lasteraars aan. Iedereen vindt hem nu grandioos - en dat is hij - maar in zijn tijd zei men dat zijn fame groter was dan zijn excellence. En dat hij met verf spatte, lagen verf aanbracht van meer dan een halve vinger dik. En dat hij verder niet veel deed aan de status van zijn beroep. Dit verhaal over Rembrandt zou geromantiseerd zijn. Ik vind het juist realistisch. Net zo realistisch als dat huisje aan de Rozengracht waar verder niet op gelet wordt. Er is wel een gevelsteen die er aan moet herinneren dat hij hier (ook) woonde, maar die steen is zo hoog geplaatst dat niemand hem ziet. Er zat een winkel met Japans antiek in het pand met de naam: ‘Van hier tot Tokio’. Een toepasselijke titel voor Rembrandts schilderijen. Niets herinnert in deze omgeving aan Rembrandt, afgezien van de Westertoren met de blauw met gouden kroon die hij kon zien als hij zijn huis uitliep.

Nu lees ik op de eerste dag van de lente in Het Parool:  ‘Grootste’ Rembrandt even terug’. Bij het artikel staat een foto van twee mensen voor het ooit zo toegetakelde schilderij van De samenzwering van de Batavieren onder Claudius Civilis. Het is in het Rijks tot oktober. Heel koel staat beschreven dat de ‘bestuurders’ van Amsterdam destijds ‘ontevreden’ waren met het schilderij. Dat het in die omvang onverkoopbaar was en de schilder ‘daarom’ de kern uit het doek sneed. Natuurlijk ga ik er wel kijken. 

Kan het zelfportret uit de Met terugkomen naar Amsterdam? En wat zal Rembrandt dan influisteren? Tot zolang is hij in de Met, waar je omver wordt gelopen als je te lang naar hem kijkt. Zoals te zien in de video New York, december 2013 https://www.youtube.com/watch?v=K_YHr757jS4S.

 

Parmantige dametjes in strakke blauwe jasjes, witte hoge laarzen, met wit bont afgezette mutsen, dragen medailles aan op de Olympische winterspelen in Sotchi. Je ziet de besneeuwde bergen op de achtergrond. Ademloos kijk ik naar dit Sotchi-tafereel op tv. Het gaat om de sport. Maar ik kijk aldoor naar de bergen van dit voor mij nog onbekende land. Hier in de Kaukasus heeft zich een geschiedenis afgespeeld van mijn (onze) voorvaderen. Zij verbleven in Sjoesja. In het Azerbeidzjaans heet het Susa en Shusha/Shushi in het Armeens. Het ligt in de zuidelijke Kaukasus bij de Turks-Iraanse grens in de nu Armeense provincie Nagorno-Karabach. Een wat je noemt conflictgebied.

Het verblijf van deze verre Russische familie in de Kaukasus kennen we alleen uit overleveringsverhalen van mijn grootmoeder. Zij, Adelaïde Maria Heemskerk, geboren in 1898, had een Nederlandse vader en een Russische moeder. Vlak voor haar dood in 1969 schreef zij de 'aantekeningen over mijn familie' op een paar vellen papier. Mijn grootmoeder was vertaalster (o.a. van Sprookjes uit het oude Rusland van Alexander N. Afanasjew). Hoewel in Amsterdam opgevoed, leek zij niet-Nederlands. Haar moeder, Lydia von Zaremba-de Kalinowa, was van Pools-Russische komaf. Lydia was geboren in St. Petersburg. Evenals haar moeder Adelaïde von Klugen (1831-1919). Al voor de revolutie van 1917 waren zij uit St. Petersburg vertrokken. Met hun memorabilia, die door mijn grootmoeder werden gekoesterd in een vitrinekast.

Het heeft even geduurd voor wij als familie konden bevatten wie wie is van deze verre buitenlandse familie van moeders kant. Dit kwam pas in 2010 aan het licht, nadat de Oost-Europese grenzen waren opgesteld. In St. Petersburg ontstond belangstelling voor de componist Nicolai Zaremba (1821-1879), één van de oprichters van het conservatorium aldaar. Ineens verschenen onze namen aan de Zaremba-stamboomtakken in een biografie van Andrei A. Boretsky. Ons leven veranderde: we hoorden Zaremba’s piano- en koormuziek, En vonden daarna bladmuziek van zijn hand die onontdekt in het archief van Bazel lagen. We luisterden opnieuw naar zijn composities in het Amsterdamse conservatorium. Donemus gaf de bladmuziek uit. De Russische geschiedenis was gaan leven. Maar aan de verre familie in de Kaukasus waren we nog niet toegekomen.

Want wie was Nicolaï Zaremba's vrouw Adelaïde von Klugen? In de memoires beschrijft grootmama haar vader. Dit was Alexander von Klugen. Een militair, die tijdens de Napoleontische oorlog van 1812 (de tijd van Tolstoi’s Oorlog en Vrede) tot kolonel was bevorderd. Daarna kreeg Von Klugen van tsaar Alexander I de opdracht om de vrede te bewaren tussen ‘volksstammen’ in de zuidelijke Kaukasus, in Sjoesja. In dit gebied, dat al honderden jaren het toneel is van bloedige conflicten, moest hij de vesting bewaken. En daar, te midden van nieuwe Duitse emigranten in de regio, trof hij Carolina von Stackelberg met wie hij trouwde en minstens zeven kinderen kreeg. Onder wie Adelaïde, mijn (onze) betovergrootmoeder.

Met ‘volksstammen’ worden Kaukasische etnische groepen, de Tsjerkessen en Tsjetsjenen, bedoeld. Zij waren, schreef mijn grootmoeder, ‘met kinzjales (dolken), sabels en pistolen tot op de tanden bewapend’. Daarom droeg Von Klugen tijdens zijn inspectiereizen een stok bij zich met een ivoren knop, waarin een flesje met sterk vergif verborgen zat: ‘De Kaukasische stammen waren er niet wars van hun gevangenen langzaam te folteren. Dat lot wilde Alexander Klugen zich in elk geval kunnen besparen.’  Wat hij zelf uitvoerde heeft ze niet beschreven. Wel is er nog een zeldzame foto waarop hij in zijn linkerhand een sabel op zijn schoot vasthoudt.

Von Klugen's portret is ook vereeuwigd. Daar is hij: zwart haar, lichte snor, rechte neus, zwarte jas, opstaande kraag, zilveren knopen. In zijn rechterhand een versierde lange pijp. Hoewel hij bij de Russische geschiedenis van Shusha na 1823 hoort, is zijn portret niet naar Rusland/Armenië terug verhuisd. De vraag is of men hier in het tegenwoordige Shusha belangstelling voor heeft. Hoe groot het gevaar ook was dat Alexander in deze regio liep – niet alleen voor stammen, maar ook voor slangen, schorpioenen en luipaarden – hij stierf aan een ‘verwaarloosde’ griep.

Daarna ondernam zijn weduwe Carolina met haar zeven kinderen een reis van twee maanden door de Kaukasus naar St. Petersburg. Zij reed op het paard Mirza - Alexander had het lievelingspaard van een Perzisch hoofdman gekregen - terwijl de kinderen en het personeel in een enorme koets zaten. Een escorte soldaten ging mee. ‘Als ze ‘gevaarlijke’ bergbewoners tegenkwamen riepen ze: ‘moedige vrouw!’ en lieten hen passeren. 'De ergste hinderpaal waren de tot woeste bergstromen gezwollen rivieren. Als daarin een wiel van de calèche losraakte was het haast niet te repareren. Ook zakte wel eens een paard in een gat in de bedding en moest dan van het tuig losgesneden worden.’

Eenmaal heelhuids gearriveerd in St. Petersburg, kregen de jongens in het gezin een Russische opvoeding. Nog in Sjoesja hadden ze les gehad op een Lutherse school waar ook hun moeder Carolina les gaf. Maar, schrijft mijn grootmoeder: ‘niet één van hen wilde op den duur daar blijven. Hun aller hart trok naar het heerlijke bergland in het zuiden, waar ze geboren waren en allen zijn er teruggekeerd.’ Eén van de zeven, Adelaïde, zou met Nicolai Zaremba trouwen en met hem drie kinderen krijgen: Emilia, Lydia, Felix.

Na Nicolai Zaremba’s dood in 1879 vertrok Adelaïde met haar oudste dochter Emilia naar de Zwitserse bergen, naar Montreux. Dochter Lydia trad in het huwelijk met de AR-politicus Theodoor Heemskerk en kwam in Amsterdam en Den Haag wonen. Alleen zoon Felix, griffier bij het gerechtshof van St. Petersburg, bleef. Hij verdween tijdens de eerste revolutiewinter van 1917. Van de familie had Lydia hem het laatst gezien toen zij in 1916 met Nederlandse ambulance naar Petrogad was gereisd om daar een Rode Kruis hospitaal te openen. Zij had Felix toen ‘enige malen in haar hotel ontvangen’. Het woord ‘ontvangen’ klinkt vreemd voor een ontmoeting tussen broer en zus…

Felix' verdwijning was een drama. Grootmama schrijft: ‘Later heeft men nooit meer iets van hem gehoord en ik denk dat hij met zovele ci-devants (woord uit de Franse revolutie, een aristocraat die zijn/haar titel heeft verloren in de revolutie) gewoon verhongerd is. Ik heb nog vaak van hem gedroomd, ofschoon (zin weg) mistroostige Petersburgse wijken. We vonden de weg naar huis niet en opeens was ook Felix verdwenen. Het leven heeft me tot de slotsom doen komen dat je nooit een jongen of een hond Felix moet noemen. Het is of je daarmee het ongeluk oproept’.

Zij beschrijft nog een ander ver familielid, Felician Martin von Zaremba (1794-1874). Deze Felician was een graaf en diplomaat die zich bekeerde bij de Evangelische Gemeenschap in Bazel. Volgens mijn grootmoeder was hij een ‘befaamd zendeling van de protestantse tak’ die in Siberië werkte onder de bannelingen. Was dit mogelijk Shurshenskibor in het Shusha district?  Er zijn gegevens over hem terug te vinden in boeken (o.a. Ein Christuszeuge im Kaukasus). Volgens internetbronnen kwam hij rond 1823 ook in de regio van Shusha terecht om daar het christendom te prediken ‘onder heidenen en Mohammedanen’. Rondom Sjoesja bestond de meerderheid van de bevolking uit moslims en de minderheid uit Armeense christenen. Maar het plan van de zendelingen om de christelijke leer te verspreiden –  de taalgevoelige Felician vertaalde daartoe het Nieuwe Testament in het Armeens – stuitte op weerstand. Als gevolg hiervan is in 1837 hun missionaire activiteit afgeschaft. In 1859 kwam hij als wanderprediger, rondreizend prediker, toch weer in de Kaukasus terecht. Tot hij zijn spraak verloor en alleen nog kon luisteren naar zijn psalm: ‘Die Sach ist dein, Herr Jesu Christ.

Hoe zou het zijn in het tegenwoordige Shusha? De Lonely Planet informatie is vrij ontmoedigend. De recente reportage ‘Achter de bergen van Sotchi’ gaf een mooi en droevig beeld van het gebied. De ooit zo mooie stad, die ‘glas’ of ‘transparantie’ betekent, trok behalve militairen en zendelingen ook dichters aan. Na de laatste hevige gevechten in 1993 was het een ruïne.

Het ‘ruime woonhuis met binnenplaats’ van de Von Klugens zal er zeker niet meer zijn. Dat huis, waar volgens mijn grootmoeders verhalen de ‘heren Tsjerkessen en Tsjetsjensen plachten te antichambreren (deftig wachten), wanneer ze bij de Russische bevelhebber hun opwachting kwamen maken’. Daar, waar Von Klugen gastvrijheid verleende aan ‘Kasjewnikof, een naar de Kaukasus verbannen Dekabrist’ [opstandeling tegen het tsaar regime]. Daar, waar met Pasen aan het ontbijt de uit boter gesneden kopjes van de Pascha lammetjes ‘één voor één door militairen werden onthoofd’, in een pesterige bui. Dit alles bestaat alleen op schrift.

Deze geschiedenis is bijzonder en ook verwarrend. Vooral als het gaat om smeuïge verhalen over andere familietakken als de Von Krusensterns, de zeevarende tak van de Von Klugens. Dit wordt misschien nog eens vervolgd. Zolang kijk ik naar het elegante popje dat ik van grootmama kreeg. ...Naar haar witte gezichtje met rode wangetjes, opgestoken verweerd blond haar, roze verbleekte satijnen jas-jurk met strookjes, leren laarsjes met knoopjes. Kon zij maar vertellen wat zij heeft meegemaakt. Als ik in haar glazen blauwe ogen met de grote pupillen kijk, fantaseer ik hierover.

Tijdens de opening van de bonte Fellini-tentoonstelling in Eye Filmmuseum, besef ik de films van de Italiaanse regisseur Federico Fellini (1920-1993) even kwijt te zijn geweest. Bij het horen van het bekende vaudeville muziekje komt het weer terug: de sprankeling, fantasie, overdaad, het menselijke, tragikomische, vrouwelijke. En op groot scherm is het helikoptershot uit La Dolce Vita (1960) weer te zien, van het Christusbeeld dat aan een touw zweeft over de stad...

Actrice Anita Ekberg opende de expositie. Haar naam is minder bekend dan haar beeld van de blonde supervrouw Sylvia in de Trevi-fontein in La Dolce Vita. De eens zo mooie en jonge 'miss Sweden' zit nu in een rolstoel. Als een echte diva houdt zij haar glas witte wijn omhoog en becommentarieert dat zij destijds alleen wijn heeft gekregen en geen eten. Ze neemt geen blad voor de mond als ze een doekje opendoet over de opnamen van La Dolce Vita (‘my film’). De beroemde fontein scène is haar idee, omdat zij eerder tijdens een fotoshoot in de zomer haar voeten baadde in de Trevi-fontein. Die foto’s gingen de wereld rond en zetten Fellini aan om dit beeld over te doen in een filmscène. Maar toen was het winter. Marcello Mastroanni in zijn rol als paparazzi fotograaf droeg visserslaarzen, waarmee hij in de fontein steeds plat voorover viel, waardoor hij voortdurend van pak moest verwisselen, terwijl Anita ondertussen in de fontein stond te bibberen. De film herinnerde haar aan die nachtelijke kou. Daarom wilde ze de film niet zien. Ze verbreekt hiermee haar eigen droombeeld. Maar dat ze niet ijdel zou zijn valt te betwijfelen.
Niet La Dolce Vita, maar Otto e Mezzo – 8 ½ uit 1963 over het maken van film is de openingsfilm, waar Fellini een Oscar mee won voor beste buitenlandse film. Aan het eind van 8 1/2 moet filmregisseur Guido (Mastroanni als Fellini’s alter ego) een persconferentie geven op de filmlocatie, het hoge geraamte voor een raketlancering. De pers vuurt constant vragen op hem af. Hij weet geen antwoord te verzinnen, is stom geslagen, artistiek uitgeblust. Hij ontwijkt door onder de tafel zitten om na te denken. Nadat hij deze toestand heeft overwonnen, komen alle figuranten op een rijtje aanlopen in het wit gekleed, een typische Fellini scène. Als toeschouwer ken je deze personages inmiddels die je vanaf het begin hebt gevolgd in een chaotische toestand aan de vooravond van de opnamen: de scenarioschrijver als de grootste criticus van de regisseur, de actrices die bij de regisseur bedelen om een scenario dat er niet is; de producenten die in de regisseur investeerden, de impresario als ceremoniemeester, actrice Claudia Cardinale als zijn muze, zijn vrouw (Anouk Aimée) die worstelt met hun relatie. En dan zijn er de figuren uit zijn jeugdherinneringen: de mystieke vrouw aan zee die met hem de rumba danste op het strand, de priesters die hem straften voor zijn ontmoeting met deze ‘duivelin’ en zijn keurige moeder. De tableau de la troupe danst in een witte eenheid op een muurtje met de regisseur. Hun film in de film kan nu pas echt beginnen. Het vrolijke gezelschap emotioneert.

Als er een eind komt aan de filmbetovering, voelt het katterig terug te zijn in deze wereld. De schoonheidsidealen van nu lijken plastic daarbij vergeleken. Want waar is Fellini’s droomwereld nu in terug te vinden? In eten. Zo staat Fellini’s favoriete recept in de programmakrant en kun je een voorstelling met diner in Eye boeken (zal Ekberg dan toch nog iets te eten krijgen?).
In het nevenprogramma van films die geïnspireerd zijn op de grote meester, ontbreekt  Woody Allens Stardust Memories, een film die op 8 ½ geënt is. In de programmakrant wordt de cruciale nachtscène uit Roma genoemd met rasactrice Anna Magnani, die tegen Fellini zegt: ‘Ga toch slapen, Federico’. Feitelijk is haar dialoog scherper met de onvergetelijke zin: ‘Ik vertrouw je niet meer, Federico.’ t/m 22 september in Eye.

Zodra je in de donkere benedenruimte in Eye Filmmuseum binnenkomt voor de expositie Tegen het Licht  van films en foto’s van Johan van der Keuken (1938-2001), overweldigen zijn beelden.  Op groot scherm is een zwart-wit filmfragment te zien van een kat die driftig zijn kop schoonmaakt door met zijn poot te vegen over zijn kop  (De Poes, 1968). De manier waarop Van der Keuken dit alledaagse, herkenbare beeld vastlegde, maakt dat je het dan pas echt goed ziet. Zo is het met al zijn beelden: of het nu het snel bewegende archiefmateriaal is van de statische beeldhouwwerken van Tajiri  (Tajiri, 1962), de spiegeling in de Seine  (Paris a l’Aube, 1957)  of koperblazers die hun instrumenten van bamboe en koperplaat maken in Bewogen Koper (1996). Steeds is er het besef pas echt goed te zien, of –  zoals hij het noemde – actief mee te kijken. En dat verveelt nooit.

Met de camera op zijn schouder filmde hij overal ter wereld mensen, zoals ze zich gedragen. Op een manier die nooit eenduidig is, maar eerder contrasterend en chaotisch. Mensen, die zich niet anders voordoen als de camera op ze gericht is waardoor ze een bepaalde schoonheid uitstralen. Vooral kinderen natuurlijk  (Beppie, 1965). Hij keek als een echte fotograaf naar details die ontroeren. Juist over details kon hij eindeloos doorgaan.
Zo maakte ik mee na een film in The Movies, dat Johan en Kees Hin – ook een detaillist – zich terugtrokken om een broodje te eten aan de overkant van het theater. Ze bleven zolang weg dat ik ze ging halen. Ze voerden een gesprek over kleurcorrectie. Niet tussen te komen, er kwam geen eind aan. Ook bleef hij – toen ik hem in 1980 voor NRC Handelsblad interviewde over film en fotografie als materiaal – gedetailleerd vertellen over het licht in de huiskamer waarin we zaten. Eindeloos ging hij door op de glans op een tafeltje, dat in de was gezet moest worden om mooier te kunnen glimmen:

‘Sommige plekken glimmen meer naar gelang mijn positie tegenover het raam. Mijn blik was gericht op hoe het tafeltje zich verhoudt tot het kleed: door de lichtval komt het witte kleed onder het tafeltje over als half-grijs, vertaald in zwart-wit termen. Het gebied achter de rand van de tafel zou fotografisch bijna zwart zijn. Het zijn donkergrijze rechthoeken. Daar weer achter ligt een stapeltje boeken. Ook een rechthoek. Het boek dat bovenop ligt, komt lichter over dan het licht op het tafeltje. Het is een verloop in het licht.  Mijn materiaal is het licht en de vorm van de dingen en ik werk met de verhouding tussen de vormen en de ruimte (…)’

Je zou zeggen dat hier een schilder aan het woord is. Tijdens het interview vertelde hij ook dat hij aanvankelijk olieverfschilderijtjes maakte en altijd veel naar de schilders keek:  ‘Als je gaat werken met hun materiaal, stuit je ook op de weerstand. Ik merkte dat ik die niet kon overwinnen en met de vraag bleef zitten: Hoe moet je dat doen, hoe teken je een handje? Picasso had daar op zijn twaalfde jaar geen enkele moeite mee, het materiaal lag in het verlengde van zijn lichaam.’ Hij had toen al een box-camera. Omdat zijn grootvader amateur-fotograaf was, raakte hij zodanig beïnvloedt door de fotografie dat hij hier tenslotte voor koos: ‘Als je  je met fotografie bezighoudt, krijg je een aandachtige aandacht voor de dingen.’

Die aandacht is in zijn films en foto’s te zien, te beleven in het nieuwe Filmmuseum Eye tot 9 juni. Het vult veel op van het gemis aan deze bijzondere filmer, die ook nog een aardige man was. Ik vergeet niet de wandeling die we een keer maakten door de lower East Side in Manhattan – voorafgaand aan de opnamen voor I Love  $ (1986). In de toen aftandse en uitgeholde achterbuurt, zagen we van veraf een etalage, waarin een metershoog torenmodel van een witte bruidstaart stond. Hij fotografeerde dit frivole witte puntje precies zoals het was opgemerkt, het van een afstand benaderend, zoals het de eerste keer was gezien. Ook deze foto’s bevinden zich onder glasplaten in de expositie op een rijtje, zoals de bedoeling is: van veraf gezien en van dichtbij.

Toen ik laatst een examen Engels met de hand moest schrijven, maakte ik er een warboel van. In een paar jaar tijd ben ik met de hand schrijven verleerd. Terwijl ik vroeger verslaafd was aan vulpennen, waarmee ik lange verhalen schreef in een regelmatig handschrift. Nu gebruik ik de hand alleen nog voor notities. Tijdens het schrijven van een langer stuk, voel ik de ongebruikte, krampachtige hand spieren. En schrijf onleesbare woorden.

Laatst zocht ik naar een ansichtkaart van een schilderij in een oude schoenendoos. Dwalend met m'n vingers door de kaartenbak herkende ik in één oogopslag de karakteristieke handschriften van de afzenders: Groot, klein, met balpen, vulpen, met zwarte, bruine of zeeblauwe inkt. O ja, zij schrijft de l met lussen en hij schrijft streepjes. Wat schrijft zij ronde letters en hij hoekige. Letters aan elkaar geschreven en los…Deze laat ruimte, die schrijft onleesbaar, die ander schools. En hij heeft een grafisch handschrift ontwikkeld... Wat een variatie, wat een schrift! Ineens zag ik hoe mooi handschriften zijn: eigen, bijzonder, zeldzaam, herkenbaar, vertrouwd.

In een paar jaar tijd is handmatig schrijven uit. Er wordt vrijwel alleen nog met de vingertoppen op toetsenborden getypt, geklikt, en over schermen geveegd. Op scholen werken leerlingen nu met tablets, zodat ze niet meer handmatig aantekeningen hoeven te maken. Van een heleboel mensen met wie ik vrijwel dagelijks mail, ken ik het handschrift niet eens. Straks worden handschriften ook al museumstukken. Wie (her)kent zijn handschrift?!

De outsider is een geliefd type in de film. Hij of zij leent zich goed om karakters en situaties in zijn of haar omgeving scherper te kunnen tekenen, verbeelden.  Een toeschouwer kan zich verplaatsen in de outsider. Omdat ie zelf als kijker een outsider is?  Hollywood kent een outsider-traditie van de lonely cowboy.  De held ís meestal een outsider.  Hoe een personage een outsider wordt, laat Thomas Vinterberg zien in zijn nieuwe film Jagten. Hoe de gemoedelijke sfeer in een dorp omslaat in grimmigheid.

De hoofdpersoon Lucas (Mads Mikkelsen) is zo'n vriendelijke,  zachtaardige onderwijzer, dat niet voor te stellen is dat hij een jachtgeweer hanteert.  En evenmin dat de lieve kleuter Klara (Annika Wedderkopp) seksuele verzinsels bedenkt over Lucas. Toch moet je toezien hoe deze sympathieke,  eenzame held door het gros van de dorpsbewoners veroordeeld wordt tot een martelaar.  Van dit onrecht kan je een rotgevoel krijgen. Je voelt de moraal aankomen. Het zal regisseur Vinterbergs intentie zijn de toeschouwer een spiegel voor te houden van deze maatschappij met z'n massale hysterie hypes waarin rücksichtslos een outsider kan worden gecreëerd.

Tijdens het kijken in filmtheater Rialto zat een toeschouwer achter mij zich sterk in de hoofdpersoon Lucas in te leven.  Misschien was hij zich er niet van bewust dat hij hardop de Lucas’  omringende karakters met hun goede of kwade bedoelingen terecht zat te wijzen. Deze veroordelende reacties vond ik eerst nog grappig  (alsof je een kind spontaan op een Jan Klaassen poppenkast hoort reageren) maar op den duur irritant: dit leek geen film meer, maar echt...

trailer: http://vimeo.com/44313303

In de film Vivan los Antipodos is steeds een stukje van de tegenovergestelde zijden van de aardbol te zien. Het begint in Patagonië in een leeg, glooiend landschap. Er is water, land, huis en een vlotbrug. Twee tol wachters en een hond bewaken de brug.  De dagelijkse tol innen is een onzekere factor voor de tol- wachters. Vaak is er uitstel van betaling door de enkele passanten die teveel haast hebben vanwege een op hand zijnde baby of zonder centen op zak. De camera wacht ze op. Op het moment dat een auto nadert, wordt de camera opgetild, kantelt en draait mee. De blik is gericht van de lucht naar de aarde. Alsof je als als vliegende vogel naar een stukje land en water op de bolle aarde kijkt.

Een oud vehikel blijft op de brug steken en is niet meer vooruit te branden. Duwen en trekken mag niet baten. De tol bewakers blijven er laconiek onder. Ze scheppen water en modder weg. In de schemering maken ze een praatje over de tonen van insecten die voorspellingen afgeven over het weerbericht. En over dat de passanten die onderweg altijd méér zullen zien dan zij.

De daarop volgende beelden van zingende vrouwen bij het Baikalmeer, zwervende olifanten in Botwana tot en met een gulzige lavastroom op Hawaï, zijn even tijdloos als de tolwachters op de brug. Het mooiste is dat Victor Kossakovsky het leven op aarde in letterlijke en symbolische zin treft. Niet het maakbare leven, maar leven zoals het is, was en zal zijn...

trailer: http://vimeo.com/28232126

Een Masterclass bijwonen met de Russische filmmaker Victor Kossakovsky is een feestje. Het vond plaats in Tuschinski op 16 nov. tijdens Idfa. Kossakovsky was dit jaar uitgenodigd om zijn favoriete filmlijst samen te stellen. Hij nam geen genoegen met een interview, een praatje en scènes uit zijn en andere films. Maar hij toonde het filmen zonder camera aan de vele (aspirant) filmmakers in de zaal.

De eerste film die ik van Kossakovsky zag was Tishé!  Hij had vanuit het raam van zijn huis ‘gewoon’ de straat gefilmd. Onder zijn raam werd een stuk asfalt telkens door straatwerkers opengetrokken, dichtgegooid en weer opengebroken. Wat er precies aan de hand was onder het asfalt was onduidelijk. Vanuit één standpunt gefilmd was het toch iedere keer anders en bleef intrigeren. Het zette aan het denken over dingen die op straat gebeuren die je wel opvallen maar ook weer vergeet. Omdat je niet begrijpt waarom het zo is en doelloos lijkt.

In 2007 zag ik van hem Svyato over een kind dat voor het eerst zijn eigen spiegelbeeld ziet. Die eerste indruk is wonderschoon om te zien. K. legde nu uit dat hij eerder op dit idee was gekomen toen hij zijn oudste zoon in een flits had zien kijken naar zijn eigen spiegelbeeld. Het was al gebeurd voor hij dit kon filmen. Na jaren wachten en uitproberen met jonge kinderen, kon hij tenslotte de puurste reactie thuis met zijn 2-jarige jongste zoon vangen.

K. gaf de (aspirant) filmers in de zaal de raad dat je kunt leren filmen en regisseren wanneer je goed kijkt en denkt. Om hier een voorbeeldje van te geven, gebruikte hij de interviewer, Peter Wintonick. De Canadese filmspecialist werd steeds op een ander been gezet door K., die hem onverwachte vragen stelde. Zoals hoe zijn ochtend was verlopen. Toen W. op zijn stoel wat lusteloos antwoordde dat hij slecht geslapen had, vroeg K. hem of hij op zijn stoel wilde gaan staan. Nadat W. wat wankel op de pluchen stoel stond, stelde K. hem opnieuw de vraag, waarop W. energiek uitschreeuwde: ‘Ik moet vandaag Victor Kossakovsky interviewen!’ Waarop K. tevreden reageerde dat het juiste antwoord, de juiste toon, te vangen is als iemand (hoger) staat in plaats van zit.

Tussendoor werden scènes uit films van K. vertoond, uit Losev (1989) van een opkomende zon en de zich langzaam aftekenende silhouetten van grafzerken; de introductie tot het waardig gefilmde afscheid van de filosoof Losev. En een scene uit The Belovs, waarmee K. zijn doorbraak op Idfa maakte in 1994. De getoonde dramatische scene lijkt van alle tijden: De vrouw Anna zingt een lied zingt en danst door de kamer, terwijl daar een man onder de tafel snurkend zijn roes uitslaapt. Net als Tishe! en Svyato tijdloos zijn.

Al op jonge leeftijd, zo vertelde K., was hij zich bewust van de wereld. Het besef drong tot hem door toen iemand een lucifershoutje in de Neva wierp en tegen hem zei dat de lucifer meegenomen zou worden in de rivierstroom en verder drijven naar de Baltische Zee, en nog verder de wereld rond (Kossakovsky filmde de afstanden in de wereld letterlijk in Vivan los antipodos! (in 2011 op Idfa in première).

K. toonde ook afstand door te laten zien hoe intimiderend (een camera) dichtbij kan zijn. Zo benaderde hij W. van dichtbij, waarop deze spontaan terugdeinsde. Daarop vroeg hij W. het smalle treden trapje op te lopen naar het podium van Tuschinsky 1. Hij suggereerde hiermee dat het om het oplopen ging. Maar omdat W. zich bewust was van zijn actie, liep hij  het trapje op een andere manier op dan hij het had afgedaald met hoog geheven armen. En het was K. nu juist te doen om die onbewuste, onwennige beweging.

De conclusie van deze Masterclass? Als je goed blijft kijken gebeuren er onverwachte dingen. Kossakovsky had de zaal voor zich gewonnen. Of hij werkelijk zo geniaal is, zoals een toeschouwer naderhand opmerkte? Hij weet in elk geval het publiek enorm te charmeren.

Schrijver Charles Lewinsky herinnert aan de Duits-joodse acteur en filmregisseur Kurt Gerron (1897-1944) nu hij zijn dikke boek Terugkeer ongewenst heeft geschreven. 

Wie is Kurt Gerron? Hij was voornamelijk bekend door zijn rol van de goochelaar- impresario van Lola-Lola (Marlene Dietrich)  in de klassieker Der Blaue Engel. Maar nu gaat zijn levensverhaal steeds vaker tot de verbeelding spreken.  Gerron was zowel een held als slachtoffer. Nadat hij eenmaal in handen van de nazi's was gevallen, lieten ze hem buigen door hem in het kamp Theresienstadt een verfraaide film over het kamp te laten maken. Daarna vermoordden ze hem.

De laatste persoon die ik over Gerron hoorde was de psychiater Louis Tas. Hij vertelde dat hij Gerron nog in kamp Westerbork had gezien:  ‘Hij zette een po op zijn hoofd en hij was een koning’,  zei hij kort en goed over de act die de beroemde komiek op die plek ten beste had gegeven.  Gerron was vergroeid met het theater. Met dit laatste beeld van hem als koning dacht ik dat het verhaal echt uit was.  Maar nu heeft schrijver Charles Lewinsky zich in Gerron verdiept.  

Ik was op de hoogte van het ontstaan van het boek. Lewinsky’s assistent Tino Kohler had contact met me opgenomen. Hij wist dat ik meegewerkt had aan een filmscript, video-installatie en documentaire over Gerron en een artikel over hem geschreven in Flashback.  Ik leende m'n Gerron-archief uit en wachtte met enige spanning op een ontmoeting met de grote schrijver. Tijdens het door Tino gearrangeerde diner vroeg Lewinsky me meerdere keren aan tafel:  ‘Wist je dat…?’ Lewinsky bleek veel meer te weten. Tino vertelde over zijn werkwijze:  hij onderzoekt en onderzoekt, vervolgens laat hij het los en schrijft het boek.  Zeer knap.

In Terugkeer ongewenst  laat Lewinsky Gerron terugblikken op zijn leven. Hij heeft veel verzonnen, de ontbrekende lege plekken in de historie ingevuld. Het is fictie. Zo geeft hij Gerrons vrouw Olga een belangrijke rol, terwijl ze in de biografie over Gerron slechts een schim is.  Ook verdiepte hij zich grondig in de verwonding die Gerron in de Eerste Wereldoorlog trof door een granaatinslag en maakt hier een cruciale verminking van.  Bovendien geeft hij een geestige, vertrouwenwekkende grootvader aan Gerron als de belangrijkste man in zijn leven. Hij is de muze van zijn kleinkind.  De grijsaard en het kind is ook de illustratie op de kaft van de Nederlandse editie. De Duitse titel is anders, heet simpelweg Gerron. 'Dat is nu eenmaal de strategie van de uitgevers', merkte Lewinsky hierover op bij de Amsterdamse boekpresentatie in de Rode Hoed.

Lewinsky schreef een vertelling over de man die ‘alles’ meemaakte in zijn tijd.  Het begon geestig onder invloed van de grootvader. Mettertijd werd het een gruwelijke voorstelling.  Hij roept in zijn boek een beklemmend gevoel op over een in gevangenschap verloren mens die zijn gedachten niet verliest. Het doet je nog scherper en intiemer de walgelijkheid van de wereldoorlogen beseffen. Het verhaal siddert nog na. Ik heb slecht geslapen. Je moet zo’n boek ook niet lezen voor het slapen. Hierdoor realiseerde ik me weer dat er een moment is geweest niet langer over Gerron na te willen denken. En toch duikt hij steeds weer op, als het Nachtgespenst uit het lied dat hij zo vaak op de Duitse Bühne zong in het Berlijn van de jaren 1930.

Beeldend kunstenaar Aernout Mik maakte zondag 16 september een registratie van het concert 4’33” van de Amerikaanse componist John Cage. Het vond plaats in openluchttheater De Lichtenberg in Weert. Het concert is daar uitgevoerd voor opnames. De film zal permanent vertoond worden in het nieuwe Utrechtse muziektheater vanaf najaar 2013. Bij de opnames waren zo’n honderdvijftig figuranten betrokken. Onder wie journaliste Katrien de Klein en ik.

Figureren is niet onze hobby. Maar nu waren we geïnteresseerd. In 1975 maakten we radioprogramma's voor de Radio Volksuniversiteit RVU over hedendaagse componisten, onder wie Cage. Daarin vertelden onder meer de schrijvers/dichters K. Schippers en J. Bernlef, zangeres Ileana Melitta en musicus Reinbert de Leeuw op een onderhoudende manier over de componisten. We schreven aan Cage. En waren zeer vereerd toen we als antwoord een telegram van hem ontvingen in de vorm van een anagram Message to You’ . Op de draaidag van 4'33", draag ik dit briefje mee als een kostbaar sieraad.

Het is een zonnige dag. We zitten op houten banken verspreid in het openluchttheater en applaudisseren zodra  tien musici het podium op komen. Acht musici hebben hun muziekinstrumenten in de hand – bas en vleugel staan op het podium – en gaan op stoelen zitten in een rij. Pianist Reinbert de Leeuw licht het deksel van de glimmende vleugel op, slaat zijn (blanco) bladmuziekboek open. De musici doen hetzelfde. De Leeuw drukt op zijn stopwatch en legt deze op de piano. Het publiek, dat door de crew is verzocht niet in de (drie) camera's te kijken en te luisteren naar de stilte, zit stil.

Stil? Terwijl ik rondkijk en de locatie, figuranten, musici en filmcrew in me opneem, hoor ik een brommend geluid…Een aggregaat, waar staat dat ding? Publiek en filmcrew kucht. Liever luister ik naar vogel getwitter of geruis van gebladerte van de omringende hoge bomen in de wind. Dan komt een ronkende auto langs. En vliegt een zoemend zweefvliegtuig over. Uit dit en ander geluid bestaat de concertuitvoering. Op teken van De Leeuw slaan de muzikanten twee keer een blad van hun bladmuziek om. Tot de onbeweeglijke Reinbert het deksel van de vleugel langzaam met zijn handen sluit. De muzikanten staan op en lopen met hun ongebruikte instrumenten in de hand in een rij het podium af. Ze verdwijnen achter een deurtje, terwijl het publiek nog applaudisseert. Het concert wordt zo’n acht keer opgenomen, Er is een ruime lunchpauze tussendoor.

Is in het begin de stemming onder het figurantenpubliek nog geconcentreerd, op den duur begint de verveling toe te slaan. Je hoort: ‘niet veel variatie’, ‘deze keer klonk ’t veel beter’ en ‘ik ben er stil van’. Als tijdens een laatste korte pauzes een paar tonen van de hoorn klinken, vraagt Katrien zich af of de musici nog een afscheidsdeuntje zullen spelen. Maar nee..Dit is serieus. geen grap, al moet ik vaak glimlachen. Stilletjes vind ik Cage geweldig. Zo gedurfd, toen hij 4’33” voor het eerst in 1952 in de plaats Woodstock opvoerde.

Tijdens de lunchpauze spreken we De Leeuw. Als we Cage's telegram laten zien, voel ik me een scholier die een briefje aan de meester toont. Hij bekijkt het aandachtig, maar kan zich onze programma’s niet herinneren. Zijn ze wel bewaard? Als we later googelen in het archief van Beeld en Geluid, vinden we geen gegevens. En als ik later in Utrecht in het Muziektheater wil gaan kijken naar de film van 4'33'', blijkt die daar helemaal niet permanent te zien. Wat overblijft is Cage's briefje met de laatste zin:  ‘Yesterday’s over, what about today?

Wat hoor ik vandaag? Tonen van de merel in de tuin, een ondertoon van dof verkeersgeluid, een elektrische zaag, getik op het toetsenbord. Het knarsen van ijzer op ijzer van de tram, planken die opgestapeld worden, een loeiende vuilniswagen. Tikken van de regen, hard, dan zacht. Langslopende voetstappen op de stoep. Een knetterende brommer. Portier dat dichtslaat. Piepende remmen. De merel stijgt er bovenuit, zingend pratend in hoge tonen, afgewisseld met snerpend twiet twiet geluid.

Kakofonie in de stilte. Geluid als muziek. De schoonmaakwagen raast door de straat, overheerst alle geluiden, boent en veegt alles weg.

Inmiddels (2019) heeft Katrien bij haar thuis de originele opnamebanden gevonden. We hebben ze gedoneerd aan Beeld en Geluid. Daar hebben technici de banden gedigitaliseerd. We hebben de opnamen gedigitaliseerd terug ontvangen om een podcast van te maken.

Op 6 juli landden E. en ik met Aeroflot op Poelkovo airport. Er was een oponthoud in de bagage hal. Ongeduldig stond Andrei ons buiten op te wachten met een welkomstboeket. In zijn St. Petersburgse appartement bood hij ons zijn bankbed aan, terwijl hij zelf in de kinderkamer ging slapen. Zijn vrouw Iryna en dochter Anna waren op vakantie. Na een leuke week in St. Petersburg reisden we samen per nachttrein naar Moskou. We kwamen 's morgens aan en liepen rondom het Kremlin. 's Avonds begonnen we aan een lange busreis van een nacht en halve dag naar Volgograd. In het voormalige Stalingrad waren we te gast bij Andrei’s familie in hun datsja’s. Ook zijn vrouw en dochter waren daar. De Fransman Thomas reisde met ons mee (hij heeft een vergelijkbare familiegeschiedenis; zijn overgrootvader was de Russische componist Alexander Bernardi).

We hebben gelopen, gelopen, trappen op en af, en nog meer van Rusland gezien, gehoord, gevoeld. Ik kende het land uit verhalen van mijn grootmoeder, films en boeken. Vorig jaar zag ik het pas echt.  Aanleiding voor dit tweede bezoek was weer de herontdekte bet-overgrootvader Nicolai Zaremba. Maar nu kon ik ook de stad zien van de dichteres Anna Akhmatova. In een gedicht dat zij opdroeg aan de dichter Alexander Blok, dichtte ze over de kleur van de zon als van frambozen en de blauw-grijze nevel van de Neva:

‘I came to the house of the poet/Sunday. Precisely at noon/The room is big and quiet./Outside, in the frosty view/Hangs a raspberry-coloured sun/over ropes of blue-grey smoke/The gaze of my watchful host/silently envelops me./His eyes are so serene/one could be lost in them forever./I know I must take care/not to return his look./But the talk is what I remember/from that smoky Sunday noon/in the poet’s high grey house/by the sea-gates of the Neva.’

Zonk Akhmatova in januari 1914 in haar gedicht nog dromerig weg in de bedaarde ogen van dichter Blok, een paar jaar later zou de revolutie, de Tweede Wereldoorlog en het Stalinisme dramatisch toeslaan in haar leven en werk. Haar gedicht Requiem verscheen pas in 1987 in de Sovjet-Unie. Terwijl zij trouw was aan Rusland en niet emigreerde (‘I am not one of those who left the land’).

Zo had ook Felix, de zoon van Nicolai Zaremba, geweigerd uit St. Petersburg weg te gaan. Tijdens de revolutie is Felix verdwenen. Andrei, Zaremba’s biograaf, ondernam een vergeefse poging alle Zaremba’s die hij in het telefoonboek kon vinden, te bellen om te vragen of zij familie van Felix waren. Andrei woont in het gebied waar Felix destijds gewoond heeft. Nu staat de ooit bosrijke omgeving vol appartementengebouwen. Soms staarde ik vanaf het balkonnetje naar de hoge berkenbomen en probeerde me Felix voor te stellen. Wat was zijn motief geweest te blijven, uit vaderlandsliefde of vanwege een geliefde?

Witte nacht De Rusland-reis begon pas goed in de witte nacht van 9 juli toen we mijn verjaardag aan de Neva oever vierden. We keken hoe de Peter de Grote brug langzaam opende. Van april tot half november, als de Neva bevaarbaar is, worden alle bruggen ’s nachts om 2 uur achter elkaar open gezet tot 5 uur. Dan is de stad alleen nog via de Vantovi brug te bereiken. ‘Tijdens witte nachten wanneer de stad gehuld is in magische schemering, is het omhoog halen van de honderden tonnen zware bruggen een adembenemend schouwspel’, aldus de gids-beschrijving. Bij de brug schonk Andrei meegebrachte glazen vol met champagne, terwijl lichten over de Neva schitterden. Van half juni tot half juli wordt het hier nooit echt donker. Als je denkt dat het 8 uur is, blijkt het 11, 12 uur te zijn. (Tijdsverschil met NL is 2 uur).

Wat is tijd? Vorig jaar leek het of ik in een tijdmachine zat. Toen liepen we in het voetspoor van Nicolai Zaremba langs de huizen waar hij gewoond had, de locaties waar hij muziek had gespeeld en gedoceerd. We bezochten zijn gerestaureerde graf en woonden een concert van zijn muziek bij in het Conservatorium. Dit keer zat ik weer in een tijdmachine van de jaren 50, begin 60. in Rusland bestaan nog dingen die in Nederland zijn afgeschaft: Een postkantoor. Een conducteur in een tram of bus die met een machientje een flinterdun kaartje voor je uitdraait. Of een token als betaalmiddel in de metro. De ouderwetse dingen roepen een nostalgisch gevoel op. Het betekent ook oncomfortabel in een bus hobbelen door kuilen in de straten. Piepende, knarsende trams doen pijn aan je oren. ‘Bij de halten staat men meestal niet keurig en is het vaak dringen’, aldus het gidsje. Dat viel mee. Het ging meer om de route. Want ‘onze’ bus 22, bleek heen niet dezelfde route te rijden als terug. We werden op weg geholpen door Engelssprekende jonge Russen, die een taxi voor ons aanhielden. De taxichauffeur moest hen verzekeren te bellen als we op de plek van bestemming waren aangekomen en we voelden ons beschermd.

De rammelende bus 22 reed vanaf de omgeving van Andrei’s appartement aan de oostkant in de richting van het grote Moskovski station de Nevsky Prospect op. We passeerden dit punt zo vaak dat we blasé werden: dit kennen we nu wel. Aan de Nevsky Prospect bevindt zich onder meer een klassiek ingerichte theatersociëteit (vergelijkbaar met de Amsterdamse sociëteit Arti). Ina nam ons mee. De componist/pianist Igor Garry speelde hier enkele composities van zijn hand op de vleugel in de gang van de sociëteit. Hij begeleidde de mezzo-sopraan Sacha.

Iedereen maakt muziek! Het hoogtepunt was de uitvoering voor mijn verjaardag van Zaremba’s Quartet door vier strijkers van het Conservatorium in Andrei’s kleine appartement. Fantastisch, Shushan Shamiryan (1e viool), Alexander Khirnyi (2e viool), Victor Rohatyn (alt) en Jaroslav Georgiev (cello) en Andrei Boretsky, bravo!

Oude huizen Eerder had ik Akhmatova’s gedichten en verhalen van Vladimir Nabokov en Daniel Charms gelezen en de prachtig filmische schilderijen van Ilja Repin gezien. Tijdens deze reis kwam ik in hun oude huizen. Zo woonde Achmatova in de dienstvertrekken van het Sjeremetev-paleis, een op het eerste gezicht prachtige plek in een park. Hier leefden meerdere schrijvers en dichters onder toezicht. Hun meubilair is verloren gegaan. Om het museum in te richten zijn identieke spullen gevonden: zo staat er een stapel oude koffers bij de ingang. Er Een vaatdoekje aan een lijntje touw boven een bruine emaillen koffiepot in de keuken suggereert armetierigheid en opgeslotenheid. Zoals dit nog voelbaar is in het Amsterdamse Achterhuis.

Vladimir Nabokovs ouderlijk huis bevindt zich in de buurt van het hoofdpostkantoor Potsjamtskajam, minstens zo groot is als het voormalige postkantoor bij de Dam (we kochten er postzegels die niet plakten). Ik had wel eens een vaag fotootje van Nabokovs huis gezien, in werkelijkheid was het heel imposant met aan de gevel een pastelkleurig bloemmozaïek.  Het staat tussen andere geweldige huizen aan de Bolsjaja Morskaja Oelitsa 45. Het gebouw hoort nu bij de Universiteit; op de eerste verdieping is het Nabokov museum. Daarboven zit de ‘unie van componisten’ in versleten vertrekken. Het Nabokov- museum heeft grote, hoge kamers met houten meubelen, en krakende houten vloeren. Het geeft een tintelend gevoel daar dingen te zien waar je eerder over hoorde. Zoals Nabokov-uitgaven van de ondergrondse uitgeverij Samisdad, de typemachine met Russische lettertoetsen, en zijn vlinderverzameling. Dat de schrijver aanzien had, blijkt wel uit het tentoonstellen van zijn afgedragen crèmekleurige colbertjasje en hoedje.

Gek dat dubbele ramen en brede vensterbanken zo je aandacht kunnen trekken. Ik dacht daarbij aan Asja Kerling uit Voorburg die we (met Kees Hin) filmden voor de documentaire De salon van het verdriet. Zij had aan de Nevski Prospect gewoond. Vanaf de brede vensterbank had zij met haar zusjes het begin van de revolutie op straat gadegeslagen. Vanuit dat huis was de familie halsoverkop gevlucht. Ik had haar niet naar het huisnummer gevraagd. In de beroemde straat bezichtigden we vorig jaar de Lutherse St. Peterskerk uit 1833. De kerk had voor ons speciale betekenis, omdat Nicolai Zaremba daar koordirigent was geweest. Toch vonden we het verbazingwekkender dat de kerk in de Sovjettijd een zwembad was! Vorige keer begreep ik niets van het cyrillische alfabet en voelde me een analfabeet. Na tien lessen Russisch bij de Uva kon ik in elk geval de letters op gevels en borden lezen.

Demonstratie bij Smolny De eerste dag bezochten we het Smolny klooster; de kathedraal met centrale koepel en vier kleinere koepeltjes met gouden bollen is in 1835 voltooid. Dit ontleen ik uit het gidsje. Toen we de kerk binnenkwamen hoorden we klassieke muziek spelen vanachter een dik fluwelen gordijn. Daarop hoorden we ‘lang zal ze leven’. Kennelijk zat er een jarige Nederlands musicus in het orkest. We beklommen de toren om het uitzicht over de stad en de brug (die nu dicht was) te zien. De klim naar de top was nogal eng voor mij met hoogtevrees. Weer beneden liepen we door het park naar het door militairen bewaakte Smolnyinstituut, waar een beeld van Lenin voor staat. Je kunt het alleen van dichtbij zien als je toegang hebt tot dit gebouw. Lenin wordt vaak afgebeeld in een wapperende winterjas, waarmee de beweging en energie wordt opgeroepen van de man en revolutie. Hier, in de voormalige school voor adellijke vrouwen, vond 25 okt. 1917 de bolsjewistische staatsgreep plaats en nam hij het gebouw in.

Op het moment dat we bij de fontein op een bankje zaten naast een mevrouw met een brei tijdschrift, zag ik cameramannen in de richting van het instituut rennen. Toen we mee renden, zagen we een man voor het instituut met een bonte vlag wapperen. Daarop werd hij door militairen en politie aan de arm meegenomen naar het park. Daar praatte hij met journalisten. Een demonstrant kwam er bij. Het ging er bijna stilletjes aan toe. Toch werden ze daarna samen in een arrestantenwagen weggereden, gevolgd door de camera’s. Toen ik later aan Andrei vroeg wat dit te betekenen had, vertelde hij dat het een pro-homo demonstratie was, een nog omstreden issue in hedendaags Rusland.

Kwamen we vorig jaar vaak op het plein rond het Rimski-Korsakov conservatorium, dit jaar bezochten we vele andere plaatsen. Zo zagen we met A. en T. de Petrus en Paulus kathedraal, Nevapoort, Petrus en Paulus vesting – een voormalige gevangenis – en kathedraal. De kathedraal konden we niet bezichtigen, omdat er een klokkentorenconcert aan de gang was, waarbij onder meer Ne me quitte pas  werd gespeeld, als in Les Parapluies de Cherbourg (Démy). We dronken koffie in de onlangs heropende chique delicatessenzaak aan de Nevsky Prospect, een toeristen trekpleister. En cirkelden rond het Sjeremetevpaleis, waar we in het ‘Museum van het Muzikale Leven’ een rondleiding in het Frans kregen van een gidse langs talloze instrumenten, zoals een gedecoreerd klavecimbel dat van tsaar Nicolaas II zou zijn geweest.

Repino De zon schijnt in juli gemiddeld 9 uur. Niet die middag, toen we in de regen liepen langs de bonte kerktorens van de Verlosser op het Bloed aan het Gribojedovkanaal. De zon scheen wel weer volop tijdens de 50 km. afstand van St. Petersburg naar Repino aan de Finse Golf. De treinreis begon vanaf het Finlandstation. Daar staat op het Plosjtsjad Lenina een gigantisch beeld van Lenin uit 1926 (in ‘taxi pose’ met opgeheven hand).

De trein zat boordevol mensen die op weg waren naar hun datsja buitenverblijven bij de meren, dennenbossen en stranden. In Repino staken we het spoor en de hoofdweg over. We vroegen de weg aan een man die geen Engels sprak en duidelijk maakte dat we een bus moesten nemen richting Penaty, de naam van het huis (genoemd naar Romeinse huisgoden). Dit is het atelier en huis van de meesterlijke schilder Ilja Repin. Hij woonde hier meer dan 30 jaar, tot zijn dood in 1930 op 86-jarige leeftijd. Niet alleen bouwde hij zijn eigen huis (dat in de oorlog kapot geschoten is en herbouwd). En construeerde hij van alles, zoals een speciale draai-eettafel waaraan gasten zich konden bedienen zodat geen personeel nodig was. Gasten moesten zich aan de huisregels houden. Deden ze dat niet, dan stond een spreekstoel voor ze klaar. Repin ligt ook hier begraven op een heuvel, ‘Golgotha’. Waarom Golgotha? Misschien heeft de schilder veel geleden. Hij had veel zelfkritiek, vernietigde veel werk. Hij bracht de laatste jaren van zijn leven eenzaam door, want kon niet terug naar Rusland (dit was oorspronkelijk Fins gebied).

Terug in St. P. aten we in het buffet van het Finland station en bewonderden de locomotief op spoor 5 met treinstel die daar onder een glazen kap staat. De trein waarmee Lenin in juli 1917 voor de tweede keer de hoofdstad ontvluchtte naar Finland en waarmee hij terugkwam.

We hebben nog eens de afstand afgelegd per bus naar Tsjarskoje Selo, Poesjkin-stad, om daar de attractie van de barnsteenkamer te zien in het keizerlijke Catharinapaleis. Ook dit keer was het dicht. Er gebeurden daar andere dingen, zoals het zoveelste huwelijk dat op straat gevierd werd. E. maakte contact met een man uit dit gezelschap die ons champagne aanbood.

Andrei wilde met ons naar het grote Oranienbaum Paleis maar dit ging niet door omdat hij was uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek voor een baan als dirigent van een koor (die hij ook kreeg). We zagen elkaar in Poesjkin-stad en lunchten aan een meertje in de keizerlijke tuinen, waar we ons vergaapten aan een druk bevertje.

Moskou Zaterdagavond 14 juli vertrokken we met de trein naar Moskou in een coupé voor vier personen met comfortabele slaapstoelen-bedjes. De trein denderde voort. ’s Morgens werden we op het station van Moskou verwelkomd met nationale schallende muziek. We sleepten onze koffers trap op trap af naar een kluis, en ontbeten in een restaurant in het theaterdistrict, waar Moskouse mussen ons brood weg pikten. Vervolgens wandelden we naar het Conservatorium van Moskou, maar konden niet naar binnen. In de buurt van het Conservatorium is een plein waar een groot groen uitgeslagen bronzen beeld van Tsjaikovski staat. Delen van partituren zijn in een gietijzeren hekwerk gelast. Andrei zong de stukjes uit de partituur voor. Dit was eigenlijk de leukste gebeurtenis in Moskou.

Maar toen moesten we het verplichte nummer van het Kremlin nog ‘doen’. Het wordt omsloten door een dikke muur. We zagen de verzameling van kerken en paleizen, torens en elf gouden koepels, liepen over het Rode Plein, bewonderden de Basilius kathedraal met zijn kleurrijke, bonte koepels, maar gingen niet naar de opgebaarde Lenin kijken. Ook bezochten we Goem, 19e eeuwse universele staatswinkel, nu een veredelde P.C. Hooftstraat met kleding merknamen en etalages, waarin slechts één beeldschone jas of jurk prijkt.

Bus naar Volgograd Andrei’s vader is buschauffeur. Het was de bedoeling dat we met hem mee zouden rijden naar Volgograd, maar de bus was kapot. We namen een reguliere bus. Toen we uit Moskou vertrokken was het avond. De bus bleef echter om de stad cirkelen, reed een brug op en toen achteruit weer terug! Dit risico werd genomen, omdat meer passagiers mee moesten. We liepen vertraging op toen bleek dat de bus kapot was. Tijdens een stop ging de buschauffeur onder de bus liggen; er kwam een onderdeel uit en de bus werd met een hamer bewerkt. Bij een andere stop werd een waterspuit op de motor gezet. Het werd ook steeds warmer, snikheet! Een keer stopte de bus. Op de parkeerplaats was een houten hok als wc met een gat erin, zoals oude Franse wc’s, vol vliegen en stank. Onderweg zagen we uit het raam eindeloze zonnebloemvelden, uitgestrekte vlakten.

Tegen de tijd dat we de buitenwijken van Volgograd binnenreden was het bloedheet. We wilden de buschauffeur een fooi geven vanwege de zware reis, maar die wilde hij niet aannemen. We werden opgehaald door Andrei’s knappe moeder. Ze kwam ons enthousiast tegemoet. We stapten in een auto, waarin ze met een rotvaart door de grote stad reed naar het winterappartement van Andrei’s vader. Dit was ons logeeradres. We bleven echter niet lang, want gingen halsoverkop weer in haar auto op weg naar de datsja, het buitenverblijf waar zij met haar (derde) man, een popmuzikant, woont. Een mooi buitenhuis met entree van een poort begroeid met druivenranken, en bloemen, planten, groente, fruitbomen in de tuin. Daar wachtte ons een diner. Voor het zover was, moesten de mannen eerst de banja, de stoomkamer (van de buren) in. Daar stond een houtkachel met gloeiend hete stenen, waar water op werd gegooid, waardoor er veel stoom, hitte, hoge vochtigheid ontstond. De ruggen van de mannen werden bewerkt met gedroogde berkentakken, waarna een koud (kinder)bad in de tuin volgde. Na het eten volgden wij, de vrouwen. Het was een ware doop. Ik had het gevoel of ik in een comedy was beland met twee Russische vrouwen die me beetpakten en met takken op m’n rug sloegen. Uiteindelijk bleven we logeren in het huis van de buren, die hun slaapkamer tijdelijk voor ons hadden afgestaan. In het huis toonde buurvrouw Luba haar dichtbundel.

Wolga. De volgende dag, na een zwempartij in de Wolga, kregen we een excursie door Volgograd met een bezoek aan het gigantische W.O. 2 oorlogsmonument. Het verste punt van de Duitse opmars in de oorlog reikte halverwege 1942 tot hier, het voormalige Stalingrad aan de Wolga. Hier werden de Duitse troepen door het Rode Leger langzaam teruggedreven. In deze verschrikkelijke strijd zijn miljoenen Russen gevallen. Het enorme vrijheidsbeeld Moeder Rusland staat met haar zwaard in de wind. Ze wordt omringd door talloze oorlogshelden die in strakke Sovjet stijl zijn gebeeldhouwd. Daartussenin bevindt zich ook een enorme Pièta en een kerk. In de overdekte gedenkplaats zijn lijsten van namen van gesneuvelde soldaten gebeiteld in een mozaïek. Vier jonge soldaten houden de wacht. De soldaten hadden te lijden van de hitte. Terwijl zij roerloos op wacht stonden, werden hun bezwete voorhoofden met een droge zakdoek gewist en hun petten schoongeveegd door een soldaat. Dit hele gebeuren was meer dan indrukwekkend.

De daaropvolgende dag maakten we met Andrei's familie een uitstapje van 200 km. door toendra vlakten naar het Elton-meer bij de grens met Kazachstan. Een enorm zout meer met modderlagen op de bodem. Op die locatie werden we vanaf een hoogte door motorfietsen met aanhangbankjes vervoerd naar de diepte bij de zee. Daar lieten we ons drijven in het zoute warme water, smeerden ons daarna in met de zwarte modderklei uit de poeltjes op het strand en spoelden dit weer af in het meer. Het zout brandde in je schouders door de zon.

De avond voor vertrek, na het zoutbad, bezochten we Andrei’s vader en zijn (derde) vrouw in hun datsja en de familie, met grootvader en grootmoeder. Ze hadden uitgepakt met op het vuur geroosterd vlees en grote garnalen, blini’s (flensjes), kaas, salami, knoflook, brood, paddenstoelen, augurken, zelf geweekte grote tomaten, thee, bier en wodka natuurlijk. Door onze gastheren werd drie keer getoast: De eerste keer op het samenzijn, de tweede keer (zonder klinken) op de overleden familieleden en derde keer op de liefde. Tot laat in de avond werden (kozakken)liederen gezongen; we wisten nu zeker dat we diep in Rusland waren doorgedrongen. Het was een kater om juist de volgende ochtend heel vroeg naar het vliegveld te moeten. We namen afscheid van Andrei, zijn moeder en haar man en vielen in het vliegtuig meteen in slaap. Dat duurde echter niet lang, want we moesten overstappen op het enorme vliegveld van Moskou. Tegen de tijd dat we op Schiphol aankwamen, waren we nog daas van de vorige avond en heel gelukkig. We namen ons voor volgende keer echt goed mee te zingen.