Skip to content

En dan is hij er niet meer, Dadi (Daddy), zoals hij vroeger door ons - buurtkinderen in de Zomerdijkstraat - werd genoemd. Hij zal me niet meer meer toespreken alsof ik nog steeds dat mollige peutertje zou zijn voor wie hij – als in het tv programma over zijn achtertuin – varkentjes van eikels maakte. Wat overblijft is een letter. Hij zei: 'je kon de r van 'varken' niet zeggen, hè?'

Deze anekdote dateert tussen 1952 en 1958, toen Jan Wolkers onze buurman was in de atelierwoningen in de Zomerdijkstraat. In die periode speelden zich allerlei grote en kleine drama’s af tussen de bewoners, de kunstenaarsechtparen en hun vele kinderen, de baby boom generatie (waar ik nog net bij hoor).

Toen de architecten Zanstra, Giessen & Sijmons rond 1930 de atelierwoningen ontworpen als innovatief project, konden ze niet voorzien dat de gezinnen zich zo zouden uitbreiden dat ze uit de flatjes met aansluitende ateliers zouden barsten. En dat dit stalen gebouw dan nog gehoriger zou zijn. Zo hadden m'n broer Michaël en buurjongen Eric Wolkers ontdekt dat ze met elkaar konden praten bij de afvoer van de wastafels in de aangrenzende slaapkamers van nr. 22 en 24.

Wolkers woonde sinds 1950 met zijn jonge gezin op nr. 22, de voormalige atelierwoning van beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen. Als aandenken aan die moedige verzetsstrijder was er een plaquette op de buitenmuur. Op 4 mei werd daar een fris boeket bloemen aan een spijker opgehangen. Jan haatte die bloemen, zoals hij beschrijft in Turks Fruit. Het boeket hing er gaandeweg dor, droog bij. Het is te zien in de achtergrond op de foto die mijn vader van ons maakte in het voortuintje ter gelegenheid van de eerste communie van mijn zusje Tinka. Op de achtergrond staat Jan vaag dit Roomse tafereel te aanschouwen. Boven de brievenbusjes het boeket als zielig aandenken.

Wolkers' witte radio Jan was beeldhouwer, nog geen schrijver, niet beroemd. Ik zag hem niet in zijn atelier werken. In m'n herinnering was het er vrijwel leeg toen hij de buurtkinderen uitnodigde om naar zijn nieuwe radio te komen kijken. Een witte radio was bijzonder. Uit het pronkstuk kwam geen geluid, althans ik hoorde het niet. Hij heeft die altijd gehouden: 'Hij is een beetje geel geworden, hè?' reageerde hij met de kenmerkende stem waar altijd hè? achteraan kwam.

De huur van de (beeldhouwers) atelierwoningen was 75 gulden. Dat was destijds veel voor een kunstenaar. Er woonden ook niet-kunstenaars in het gebouw. En als de kunstenaars niet van de kunst konden leven, hadden ze er een baan bij. De meeste vaders waren uithuizig, altijd druk. Zoals mijn vader, die je eigenlijk niet zag. Als een snel voortdrijvende wolk van energie liep hij het huis in en uit.

De buurtkinderen waren vaak aan hun lot overgelaten, hadden wel ruzies op straat. Zo gingen de jongens van Zomer- en Kinderdijkstraat elkaar te lijf met rozentakken en brandnetels. Het gebied van 'de landjes' rondom de te bouwen of net gebouwde Utrechtsebrug was een prachtig speelterrein.

Peter en de wolf Jan, de kindervriend, had wel meer tijd: Zo leerde hij mijn zusjes fietsen op een gehuurd fietsje. Ook draaide hij de plaat van Peter en de Wolf in z'n atelier, gaf buurtkinderen opdracht dieren uit te beelden, schaterlachte om hun pantomime. Hij nam zijn oudste zoon Eric en mijn zusje Clara mee naar de bioscoop. Niet naar een kinderfilm, maar de Amerikaanse The Grapes of Wrath uit 1940 van John Ford met Henry Fonda. Hoewel de kinderen er niets van begrepen, waren ze onderdak en hield hij er een fijne middag aan over. De kinderen werden ook bij de buren in hun ateliers ingezet om te poseren. Zoals Eric, die zo lang naakt moest staan voor Jans beeldje De Jongen met de Haan (opdracht voor Sloterdijk school) dat hij er een blaasontsteking aan overhield.

Maria Wolkers-de Ro, Jans vrouw, was apothekersassistente. Buurman Theo Swagemakers schilderde haar portret (in 2003 op een tentoonstelling van Zomerdijkstraat-kunst te zien). Maria was mooi. Mijn moeder sprak over haar als ‘de arme Maria’, nadat het grote drama zich had voltrokken met het dochtertje Eva, dat levend verbrandde door het hete water in de wasbak. De watertemperatuur kon plotseling wisselen van koud naar heet. Daar werd je als kind constant voor gewaarschuwd. Zo klein als ik was, weet ik dat de simpele vraag die ik aan mijn moeder stelde: 'Kan je ook warm water drinken?' een vreemde stilte ontlokte. Tot ze eindelijk antwoord gaf: ‘Ja. Waarom vraag je dat? Gek kind.’

Stoere Amerikaan Jan vond het gammele Eendje van zijn buurman maar niks (hìj had later zelf een stoere Amerikaanse wagen), maar mijn vader trok zich daar niks van aan. Zelfs na een auto ongeluk waarbij hij zijn been brak, had hij daarna toch weer net zo’n Citroën. Speels hobbelde de Eend over de grachten als we op zondag met z’n allen achterin naar ’Onze Lieve Heer op Solder’ reden.

Vijf jaar was ik toen we in 1958 naar de provincie verhuisden. Dit gebeurde onder het mom dat het ‘zo goed’ was voor de kinderen meer ruimte, frisse lucht te krijgen. Het schijnt dat m'n moeder Sacha schoon genoeg had van de Zomerdijkstraat om meerdere onbesproken redenen. Twee jaar later vertrok Maria met Eric en Jeroen naar een ander huis in de Rivierenbuurt. Jan vond soelaas in zijn volkstuin en woonde met Karina nog in de Zomerdijkstraat tot 1981.

Theo Thijssen monument Ik zag Jan Wolkers pas weer in het voorjaar van 2004. Tijdens de onthulling van zijn monument van opstijgende vogels voor Theo Thijssen op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, dezelfde plek waar hij 24 oktober zal worden herdacht. Toen hij met een handgebaar een storende zanderige plek op het glas wegveegde om het licht de kans te geven helder door het glas te laten schijnen, leek het net alsof ik mijn eigen vader even terugzag. Zo’n handgebaar bij voltooiing zag ik hem ook vaak maken. Om daarna het beeld los te laten en het een eigen leven te laten leiden.

Wat blijft is de nalatenschap van een generatie. Hoe wordt ze herinnerd? Bij Wolkers gaat het er na zijn dood meteen om of hij hoort bij de grote drie, grote vier (schrijvers) of de ene grote is. Ik herinner me hem als de kindervriend Dadi, die showde met zijn witte radio. En die, zoals mijn vader bij een generatie kunstenaars hoort die vlak na de oorlog in de jaren vijftig de kop boven water hield. En om talloze redenen het kunstenaarsleven niet goed kon verenigen met het gezinsleven in een te kleine, al te gezellige, gehorige atelierwoning in die Amsterdamse Zomerdijkstraat.

Ontleend aan familieverhalen

 

Sommige beelden betekenen meer dan zomaar een plaatje. Wat was er in Tbilisi en Gori in de zomer van 2007? Met Renate en Andries, nieuwe vrienden in het vliegtuig ontmoet, ging ik op ontdekkingstocht.

Enkele jaren geleden is het oeroude, vaak bezette Tbilisi geteisterd door een aardbeving. Nu wordt de stad energiek opgebouwd. Er wordt weinig Engels gesproken, je moet je met je handen en enkele woorden zien te redden. Een Nederlander hoeft maar ‘Holland’ te zeggen en hoort enthousiast ‘Sandra!’ Sandra Roelofs uit Terneuzen is de populaire first lady. Ze doet veel voor dit land.

Bovenop de berg staat een gigantisch wit beeld van een vrouw met zwaard. ‘Moeder Georgië’, vertelt de Georgische jongen die ons gidst naar Hotel Kala in de Bethlehem kucha. 's Avonds wordt Moeder Georgië wit verlicht. Door het licht en de schaduw die op haar valt lijkt ze een strak, streng spook. Ze heft haar arm niet omhoog als het Vrijheidsbeeld, maar naar beneden. De lamp is haar zwaard.

Nabij Tbilisi in het stadje Gori groeit wild, hoog gras in het park rondom het Stalin Museum. Zwerfhonden in het park worden weggejaagd door een schoonmaker, ze verdwijnen jankend uit het park. Alsof het geregisseerd is, lopen ze in rij naar het busstation. Verjaagd, verlaten zwerven ze hongerig rond.

Het houten huisje, waar Stalin in 1879 is geboren als Josef Dzhugashvili, is overdekt. Het bestaat uit een kamertje met bedje, kast, tafel en stoelen alsof er een dwerg in woonde. Daar achter bevindt zich een standbeeld van Stalin in uniform, net zo'n wit, strak beeld als Moeder Georgië. Daar is ook de treinwagon, die Stalin in 1945 vervoerde naar Potsdam om de vrede te tekenen met wereldleiders Churchill en Chamberlan. Het interieur is betimmerd met houten kamertjes, zelfs een keukentje met een Aga fornuis. Stalins kamertje heeft een badje, zo klein als in zijn dwerghuisje.

Stalin die zich ontpopte tot gruwelijk dictator, wordt hier in Gori vereerd met museum, plein, avenue, standbeeld, wagon. In het museum leidt een Duitssprekende gidse - zwart haar, donkere ogen - ons de trappen op naar enorme museumzalen. Daar hangt een serie Stalin portretten: in 1902 nog een knappe, wilde revolutionair met sjaal, tot na 1930 een stijve partijleider met snor en hoog gesloten uniform. De gidse dreunt een uit het hoofd geleerde tekst op over hoe Stalin opgroeide in Gori als schoenmakerszoon en daarna in Tbilisi geschoold is in de ondergrondse. Ze toont een maquette als een poppenhuis van een diepe schacht en een miniatuur drukpersje. Bestaat dit nog? Het bevindt zich bij het Sheraton Hotel.

Wat is er van de ondergrondse over? De volgende dag lopen we richting Sheraton Hotel. Het begint te regenen. In de druilerige regen schuilen we onder een boom. Een man verschijnt. Wat willen we? Het ondergrondse huisje zien. De man loopt weg, komt even later in een aftands jeepje aanrijden. gebaart in te stappen. We rijden door modderige straatjes vol kuilen. Hij spreekt een paar woorden Engels, leert de taal via Internet. Op de passagiersstoel ligt een versleten boekje Russisch-Engels, het woord ‘lunch’ is onderstreept. Hij zet ons af voor een roodoranje gekleurd gehavend gebouw en racet weg.

Een kale, donkere hal. In een hoek een tafeltje met rood kleedje, waarop borstbeelden van Stalin en Lenin met een boeket veldbloemen er voor. Dit is een verjaard, aftands, versleten communistisch partijbureau. De communistische vergane glorie wordt gekoesterd door een paar bejaarde mannen in dit museum.

Een energieke oudere man leidt ons door het museum. Hij spreekt geen Engels of Duits, maar toch kunnen we hem volgen met behulp van de afbeeldingen aan de muur. Dan leidt hij ons naar buiten, waar het houten huis staat dat we eerder zagen in het Gori-museum in miniatuur. Het regent pijpenstelen. In het huisje toont hij ons een diepe put. Hij gaat ons voor op een wenteltrap naar beneden naar een donker gat. Helemaal onderin is een ruimte waar de drukpers staat, verroest. In 1990 is de kelder onder water komen te staan. Oh, symboliek, een jaar na de val van de muur...

Terug op straat gaan opnieuw de diepte van de metro in. Op de houten roltrap lijkt het of je loodrecht naar beneden valt. Je neigt ertoe achterover te hellen; de mensen die uit de diepte komen, hellen juist voorover. In de metro zien we drie kinderen. De oudste, een meisje, loopt als Charlie Chaplin met vergroeide voeten uit elkaar langs de passagiers. Ze heeft een bidprentje in de ene hand en in de andere een bekertje met munten. Een jongen en meisje volgen haar. Het jongste meisje is dun, ziet grijs als een muisje. Ze tonen vol trots het opgehaalde geld. Als het oudste meisje naast me gaat zitten, neem ik denkbeeldig de kinderen mee.

Op straat zie je gele Nederlandse bussen rijden, ‘Sandra bussen’. Sandra regelde deze bussen voor Tbilisi. Haar volgende plan is gele taxi’s in te stellen. Je hoeft je hand maar op te steken, of er stopt meteen een gammele wagen, een Lada of ander merk. Je onderhandelt met de taxichauffeur over de bestemming en prijs. Als hij geen Engels spreekt, gebruik je handen en voeten. Begrijp je elkaar, dan stap je in de aftandse wagen. Zodra de rit begint, word je door elkaar gerammeld, alsof je in de botsautootjes zit. Het verkeer komt zo rakelings op je af dat je beter je aandacht kunt richten op details, zoals het bidprentje. Overal zijn bidprentjes. Er wordt veel gebeden. Als mensen een kerk passeren, stoppen ze, slaan devoot een kruisje.

Zodra we uit de taxi stappen zien we een verlaten villa met verwaarloosde tuin met palmen. In deze prachtige Mediterrane villa is het Filmmuseum gehuisvest. Maar waar is de entree? We lopen door een donkere hal. Er is niemand. Een trap op. We gaan een kamer in. Een meneertje komt als een duveltje uit het doosje tevoorschijn. Hij leidt ons naar een kamer. Overal dozen waar filmfoto’s uitsteken. In een hoek zit een oude man in een pak achter een bureau. Hij moet een archivaris zijn. Ha, een boekenkast. Heeft hij een catalogus van de Georgische film? Er komt een vrouw bij van middelbare leeftijd. Ze draagt een lange zwarte feestjurk met zilver glitterband. Ze spreekt geen Engels. Er komt nog een vrouw bij, ze spreekt Frans. Er wordt druk gepraat, maar geen catalogus.

We bevinden ons weer in de diepte van de metro, stappen uit bij Rustavelis Gamziri. Naast de uitgang is een spaarzaam verlicht warenhuis met houten roltrappen. Daar worden tassen, sieraden, cd’s, fournituren verkocht. Vrouwen naaien gordijnen op oude elektrische naaimachines. Op de fournituren afdeling staan drommen vrouwen en meisjes met graai rijpe handen kralen uit te zoeken. In een hoek aan het plafond hangen rijen zelfgemaakte witte bruidsjurken, als een expositie.

David, eigenaar van Hotel Kala nodigt me uit voor een uitje naar het Openluchtmuseum bovenop de berg, waar een folklore festival plaatsvindt. Hij moet folkzanger Bayar Sahin ophalen die net aangekomen is uit Turkije. Sahin heeft een staartje, draagt halve broek, sandalen. Hij spreekt een beetje Duits. Op de vlakte is een groot podium, waar gerepeteerd wordt. David leidt me langs originele Georgische houten huizen, boerderijen, terwijl Sahins band verkoeling zoekt in de schaduw op de veranda van een houten huis. De repetitie begint, de harmonica zet in, daarna volgt de balalaika achtige gitaar en de stemmen in. Op de veranda staat een houten plank waar uit een bok is gekerfd met horens als halve maantjes, zij aan zij, zo precies en gedetailleerd als een Jan Schoonhoven reliëf.

David nodigt ons uit voor een diner. In het restaurant gaan we zitten in een kamer van een apart huisje. Het voorgerecht is khinkali, in pastazakjes gevuld gehakt en bouillon. een flodderig gekookt meelzakje, dat je met beide handen tussen duim en wijsvinger beetpakt en uitzuigt zonder knoeien. Dat lukt me niet. Na het eten, als we bij het festivalterrein aankomen heeft zich al een menigte jonge mensen rondom het podium verzameld. Zanger Bayar blijkt populair: er klinkt luid applaus als hij even later stoer het toneel opkomt in een folkloristische, harige witte lange jas met een zwaard aan zijn riem. Als de band begint te spelen en hij te zingen, gaat het publiek uit z'n dak, probeert het podium op te komen om te dansen. Ze worden het podium afgegooid door mannen in zwarte kleding. Het publiek klapt, danst, wiegt, beweegt de handen sierlijk, lenig uit de polsen. Een groep zangers ondersteunt Bayar. Ik raak gefascineerd door de dans en muziek.

Na afloop wil Bayar met me afspreken, maar ik neem de vlucht. Het is nog nacht als een taxichauffeur me naar het vliegveld brengt. Hij wacht tot ik ingecheckt ben. Als ik hem een fooi wil geven, wil hij die niet aannemen. Onderweg lees ik het Nederlandse boek Sandra, First Lady of Georgia dat ik in Tbilisi bij een Amerikaanse boekwinkel in de ramsj vond. Wegdommelend, zie ik de indrukwekkende beelden van de reis terug. Wat is er nog meer te ontdekken in het Oost-Europa van mijn voorvaders- en moeders?

http://www.youtube.com/watch?v=U7srCKGg5gM

dank aan medereizigers Renate Geuzinge en Andries Wielens.