I.M. JAN WOLKERS (1925-2007)

October 23, 2007 door Sandra

En dan is hij er ineens niet meer, Dadi (Daddy), zoals hij vroeger door ons, de buurtkinderen van de Zomerdijkstraat, genoemd werd. En zal hij je nooit meer vertederend toespreken alsof je nog steeds een mollig peutertje bent, voor wie hij - zoals in het tv programma over zijn achtertuin - varkentjes van eikels maakte. Zelfs op zijn tachtigste herinnerde hij zich dat je de r niet kon zeggen in het woord varken.   

Deze anekdote dateert tussen 1952 en 1958, toen Jan Wolkers onze buurman was in de atelierwoningen in de Zomerdijkstraat. In die periode speelden zich allerlei grote en kleine drama’s af tussen de bewoners, de kunstenaarsechtparen en hun vele kinderen van de baby boom generatie, waar ik nog net bij hoor.

Toen de architecten Zanstra, Giessen & Sijmons in de jaren ’30 van de 20e eeuw deze atelierwoningen ontworpen als innovatief project waarmee ze opvielen, konden ze niet voorzien dat de gezinnen zich in de jaren ’40 en ‘50 dermate zouden uitbreiden dat ze uit de kleine, gezellige flatjes met aansluitende ateliers zouden barsten. En dat dit gebouw van staal dan nog gehoriger zou zijn. Zo hadden mijn broer Michaël en zijn vriend, buurjongen Eric Wolkers ontdekt, dat ze elkaar woordelijk konden verstaan bij de afvoer van de wastafels in aangrenzende badkamers van nr. 22 en 24.

Wolkers woonde er sinds 1950 met zijn jonge gezin op nr. 22 in de voormalige atelierwoning van beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen. Als aandenken aan de moedige verzetsstrijder, die in de oorlog is doodgeschoten, was er een plaquette op de buitenmuur. Ieder jaar bij Dodenherdenking werd daar een fris boeket bloemen aan een spijker opgehangen. Jan haatte die bloemen, zoals hij beschrijft in ‘Turks Fruit’, omdat het frisse boeket er gaandeweg dor en droog bij hing. Het bewijs ervan is toevallig te zien op de foto die mijn vader Marius maakte van de familie in het kale voortuintje ter gelegenheid van de Eerste Communie van mijn zusje Tinka. Op de achtergrond staat Jan vaag het roomse tafereel te aanschouwen. Naast hem hangt het verlepte boeket als zielig aandenken.

WITTE RADIO

Jan was beeldhouwer, nog geen schrijver en niet beroemd. Toch zag ik hem toen (net als mijn vader, die ook beeldhouwer was) niet in zijn atelier werken. In mijn herinnering was het juist vrijwel leeg. Dat was op het moment dat hij de buurtkinderen uitnodigde om naar zijn nieuwe radio te komen kijken. De radio was heel bijzonder, want deze was wit en uit dat pronkstuk kwam geen geluid, althans dat hoorde ik niet. Hij heeft die radio altijd gehouden. Wit was hij echter niet meer. “Hij is een beetje geel geworden, hè?”, reageerde hij met de zo kenmerkende stem, toen ik er veel later naar vroeg.

De huur van de (beeldhouwers) atelierwoningen op de begane grond was destijds 75 gulden. Dat was veel en zeker voor een kunstenaar. Er woonden dan ook niet-kunstenaars in het gebouw. En als de kunstenaars niet van de kunst konden leven, hadden ze er een baan bij. De meeste vaders waren uithuizig en altijd druk, zoals mijn vader, die je eigenlijk niet zag, maar wel aanwezig was, in en uitlopend als een snel voortdrijvende wolk van energie.

De buurtkinderen waren vaak aan hun lot overgelaten en hadden wel lopende ruzies. Zo gingen de jongens van Zomerdijk en Kinderdijkstraat elkaar wel te lijf met rozentakken en brandnetels. Het gebied rondom de te bouwen of net gebouwde Utrechtsebrug, de zogenoemde  ‘landjes’ was niet bebouwd en prachtig speelterrein.

PETER EN DE WOLF

Jan, de kindervriend, had wel eens meer tijd: Zo leerde hij mijn zusjes fietsen op een gehuurd fietsje. Ook draaide hij de plaat van ‘Peter en de Wolf’ in zijn atelier, gaf buurtkinderen opdracht dieren uit te beelden en schaterlachte om hun pantomime. Hij nam zijn oudste zoon en mijn zusje mee naar de bioscoop. Niet naar een kinderfilm, maar naar de Amerikaanse film ‘The Grapes of Wrath’ uit 1940 van John Ford met Henry Fonda in de hoofdrol, waar de kinderen niets van begrepen, maar waar hij een fijne middag aan overhield. De kinderen werden overigens ook bij de buren in hun ateliers ingezet om te poseren. Zoals Eric, die zo lang achtereen naakt moest staan voor Jan’s beeldje ‘De Jongen met de Haan’ (opdracht voor een Sloterdijk school), dat hij er een blaasontsteking aan overhield.    

Maria Wolkers-de Ro, zijn eerste vrouw, was apothekersassistente. Buurman Theo Swagemakers schilderde haar portret (in 2003 te zien op een tentoonstelling van Zomerdijkstraat-kunst bij veilinghuis Glerum). Maria was mooi. Mijn moeder sprak over haar als ‘de arme Maria’ nadat het grote drama zich had voltrokken met het dochtertje Eva, dat levend verbrandde onder de douche of in het bad.

De watertemperatuur in de woningen kon plotseling wisselen van koud naar heet. Daar werd je als kind constant voor gewaarschuwd. Zelfs de simpele vraag, die ik als kind aan mijn moeder stelde: “Kan je ook warm water drinken?” leidde tot een vreemde stilte, tot ze eindelijk antwoord gaf: ‘Ja. Waarom vraag je dat? Gek kind.

STOERE AMERIKAAN

Jan vond het gammele Eendje van zijn buurman maar niks (hìj had later zelf een stoere Amerikaanse wagen), maar mijn vader trok zich daar niks van aan. Zelfs na een auto ongeluk waarbij hij zijn been brak, had hij daarna toch weer net zo’n Citroën. Speels hobbelde de Eend over de grachten als we op zondag  met z’n allen achterin naar ’Onze Lieve Heer op Solder’ reden. Als we in de auto de straat uitreden, keek Eric ons wel eens na. Naar de kerk gaan vond hij onbegrijpelijk.

Ik was vijf, toen we in 1958 naar de provincie verhuisden. Dit gebeurde onder het mom dat het ‘zo goed’ was voor de kinderen om meer ruimte en frisse lucht te krijgen. Het schijnt echter dat mijn moeder Sacha schoon genoeg van de Zomerdijkstraat had om meerdere onbesproken redenen. Twee jaar later vertrok Maria met Eric en Jeroen naar een ander huis in de Rivierenbuurt. Jan vond soelaas in zijn volkstuin en woonde met Karina in de Zomerdijkstraat tot 1981.

THEO THIJSSEN MONUMENT

Ik zag Jan Wolkers weer in het voorjaar van 2004. Toen werd zijn monument van opstijgende vogels voor Theo Thijssen onthuld op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, dezelfde plek waar hij 24 oktober zal worden herdacht. Toen hij daar met een handgebaar een storende zanderige plek op het glas wegveegde om zodoende het licht de kans te geven helder door het glas te laten schijnen, leek het net alsof ik mijn eigen overleden vader even terugzag. Zo’n handgebaar bij voltooiing zag ik hem ook vaak maken, om daarna het beeld los te laten en het een eigen leven te laten leiden.

Wat achterblijft is de nalatenschap van een generatie. Hoe wordt ze herinnerd? Bij Wolkers gaat het er vlak na zijn dood meteen om of hij bij de grote drie, grote vier hoort of juist die ene grote is. Ik herinner me hem gewoon als de kindervriend Dadi, die kon showen met zijn witte radio. En die zoals mijn vader bij een generatie kunstenaars hoort, die vlak na de oorlog in de jaren vijftig de kop boven water hield en om talloze redenen het kunstenaarsleven niet goed kon verenigen met het gezinsleven in een te kleine, al te gezellige en gehorige atelierwoning in die Amsterdamse Zomerdijkstraat. 

Ontleend aan familieverhalen.

Kinderen Van Beek in Zomerdijkstraat 1955, rechts achter in deuropening Jan Wolkers. Aan muur boeket bloemen ter nagedachtenis aan bewoner Gerrit Jan van der Veen, dat Wolkers beschreef in ‘Turks Fruit’. Foto: Marius van Beek.
   

 

TBILISI, GEORGIË & ZANGER BAYAR SAHIN

September 21, 2007 door Sandra

Soms maken beelden indruk. Ze betekenen kennelijk meer dan zomaar een plaatje. Wat is de symboliek? Soms weet je het niet. Dat gebeurde tijdens die week in Tbilisi.

Een paar jaar geleden is de oeroude, vaak bezette stad geteisterd door een aardbeving. Nu wordt deze weer energiek opgebouwd. In Tbilisi wordt weinig Engels gesproken. Dus moet je je redden met enkele woorden en handen en voetenwerk. Een Nederlander hoeft alleen ‘Holland’ te zeggen en hoort dan enthousiast ‘Sandra!’ Sandra Roelofs uit Terneuzen is de populaire first lady, die veel voor dit land doet. 

Bovenop de berg staat een gigantisch wit beeld van een vrouw met een zwaard. ‘Dat is Moeder Georgië’, vertelt de Georgische jongen, die ons gidst naar Hotel Kala in Bethlehem kucha = straat. In de nacht staat Moeder Georgië er wit en verlicht bij. Het spaarzame licht en de schaduwplekken maken haar eng als een strak, streng spook. Zij heft haar arm niet op, zoals het Vrijheidsbeeld, maar naar beneden. De lamp is haar zwaard.

In het park rondom het Stalin Museum in Gori groeit wild, hoog gras. Een groep zwerfhonden ligt in het park. Ze worden weggejaagd door een schoonmaker en verdwijnen jankend het park uit. Alsof het geregisseerd is, lopen ze op afstand van elkaar in de richting van het busterrein. Verjaagd en verlaten zwerven ze hongerig rond.

Rondom het houten huisje, waar Stalin in 1879 is geboren als Josef Dzhugashvili is een tempel gebouwd. Het huisje bestaat uit een kamertje met bedje, kast, tafel en stoelen, als van een dwerg. Erachter bevindt zich weer zo’n wit, strak standbeeld van Stalin in uniform. En er is de treinwagon, waarmee hij in 1945 vervoerd is naar Potsdam om na W.O. 2 de vrede te tekenen met wereldleiders Churchill en Chamberlan.

Het treininterieur is betimmerd met houten kamertjes en er is zelfs een keukentje met een Aga fornuis. Stalin’s kamertje heeft een badje, zo klein als in zijn dwerghuisje. Het is alom bekend dat Stalin zich ontpopte tot gruwelijk dictator. Hier in Gori wordt hij echter vereerd met museum, trein, standbeeld, plein en avenue. In het museum leidt een Duitssprekende gidse - meisje met donkere ogen en zwart lang haar - ons trappen op naar enorme museumzalen, waar vrijwel uitsluitend afbeeldingen van Stalin hangen: van jonge man - knappe, wilde revolutionair met sjaal in 1902 - tot stijve partijleider met snor en hooggesloten uniform na 1930.

De gidse dreunt een uit het hoofd geleerde tekst op hoe Stalin opgroeide in Gori als schoenmakerszoon en geschoold is in Tbilisi in de ondergrondse. Ze toont een maquette als een poppenhuis van een diepe schacht en ondergronds een miniatuur drukpersje. Bestaat het nog? Het bevindt zich ergens bij het Sheraton Hotel.

Wat is er van het ondergrondse huisje over? De volgende dag lopen we richting Sheraton Hotel. Het begint te regenen. We schuilen onder een boom in een straatje in de druilerige regen. Een man verschijnt. Wat willen we? Het ondergrondse huisje zien. De man gaat weg en komt even later in een aftands jeepje aanrijden en gebaart in te stappen. We rijden door modderige straatjes vol kuilen. Hij spreekt een paar woorden Engels; hij leert de taal om Internet te begrijpen. Naast hem in de auto ligt een versleten boekje Russisch-Engels. ‘Lunch’ is onderstreept. Hij zet ons af voor een roodoranje gekleurd gehavend gebouw en racet weg.

Een kale, donkere hal. In een hoek een tafeltje met rood kleedje, waarop borstbeelden van Stalin en Lenin met een boeket veldbloemen eronder. Een verjaard communistisch partijbureau, aftands en versleten. Vergane glorie van het communisme wordt gekoesterd door een aantal bejaarde mannen. Het is ook een museum.

Een energieke man leidt ons. Hij spreekt geen Engels of Duits, maar we kunnen hem volgen aan de hand van de afbeeldingen aan de muren. Hij leidt ons naar buiten naar het houten huisje. Het regent pijpenstelen. Hij toont een diepe put en gaat ons voor een wenteltrap naar beneden naar een donker gat. Helemaal onderin is de ruimte, waar de drukpers staat, helemaal verroest.

In 1990 is de kelder onder water komen te staan. Oh, symboliek. Dat is een jaar na de val van de muur.

METRO IN DIEPTE

Nu nemen we de metro terug de diepte in. Als je op de houten roltrap staat lijkt het of je loodrecht naar beneden valt. Je neigt ernaar achterover te hellen; de mensen die uit de diepte komen hellen juist voorover.

In de metro zien we drie kinderen. Het oudste meisje loopt langs de passagiers als Charlie Chaplin met vergroeide voeten uit elkaar, een bidprentje in de ene hand en in de andere een bekertje munten. Een jongen en meisje volgen haar. Het jongste meisje is dun, ziet grijs als een muisje. Ze tonen vol trots het opgehaalde geld. Als het oudste meisje naast me gaat zitten, neem ik denkbeeldig alle kinderen mee.

Op straat zie je gele Nederlandse bussen rijden, ‘Sandra bussen’. Sandra regelde dat deze lading bussen naar Tbilisi is overgebracht. Nu wil ze uniforme gele taxi’s gaan instellen.

De taxi. Je hebt je hand nog niet opgestoken, of er stopt meteen een gammele wagen, Lada of ander merk. Dan onderhandel je met de taxichauffeur over de bestemming en prijs. Als deze geen Engels spreekt, gebruik je handen en voeten. Begrijp je elkaar, dan stap je in de aftandse wagen en de rit begint. Je wordt helemaal door elkaar gerammeld, alsof je in een botsautootje zit. Het verkeer komt rakelings op je af. Dan richt je je aandacht op details, zoals een bidprentje in de auto. Er zijn trouwens overal bidprentjes. Er wordt ook veel gebeden. Als de mensen een kerk passeren, stoppen ze ervoor en slaan devoot een kruisje.

VERLATEN FILMMUSEUM

Als we de taxi uitstappen, zien we een verlaten villa met verwaarloosde tuin met palmen. Ooit was dit een prachtige Méditerrane villa. Hier is het Filmmuseum gehuisvest.

Maar waar naar binnen? We lopen door een donkere hal. Er is niemand. Een trap op. We gaan een kamer in. Een meneertje komt tevoorschijn als duveltje uit doosje. Hij leidt ons naar een kamer. Overal dozen met blauwe enveloppen, waar filmfoto’s uitsteken. In een hoek zit een oude man in een pak achter een bureau. Hij moet een archivaris zijn. Ha, een boekenkast. Heeft hij een catalogus van de Georgische film?

Er komt een vrouw van middelbare leeftijd bij. Ze draagt een lange zwarte feestjurk met zilveren glitterband. Ze spreekt geen Engels. Er komt een jonge vrouw bij, die Frans spreekt. Er wordt druk gepraat, maar geen catalogus.

SPAARZAAM VERLICHT WARENHUIS

We bevinden ons weer in de diepte van de metro, om uit te stappen op Rustavelis Gamziri. Naast de metro uitgang bevindt zich een spaarzaam verlicht warenhuis met houten roltrappen. Er worden tassen, sieraden, cd’s, fournituren verkocht. Op oude elektrische naaimachines naaien vrouwen gordijnen.

Bovenin, op de fournituren afdeling staan drommen vrouwen en meisjes kralen uit te zoeken met graaigrijp handjes. In een hoek, aan het plafond hangen rijen zelfgemaakte witte bruidsjurken, als een expositie in een galerie.

FOLKZANGER BAYAR SAHIN

Hotelbaas David van Hotel Kala nodigt me uit voor een tocht naar het Openluchtmuseum bovenop de berg, waar een folklore festival gehouden wordt. Hij moet een zanger ophalen, die daar zal optreden.

Zanger Bayar Sahin is net uit Turkije aangekomen. Hij heeft een staartje en draagt een halve broek en sandalen. Hij spreekt een beetje Duits. Op de vlakte is een groot podium, waar gerepeteerd wordt. Terwijl Sahin’s band op zijn beurt wacht, leidt David me langs originele Georgische houten huizen en boerderijen.

Sahin’s band zoekt verkoeling in de schaduw op de veranda van een houten huis voor een repetitie. De harmonica begint, daarna volgt de balalaika achtige gitaar en zetten de stemmen in.

Een plank van een houten bok op de veranda, de horens uitgekerfd als halve maantjes zij aan zij, precies en gedetailleerd als een Jan Schoonhoven reliëf.

PASTAZAKJES UITSLURPEN

David nodigt ons allemaal uit voor het diner in een restaurant. We gaan in een kamer in een apart huisje aan tafel zitten. Het voorgerecht is khinkali, in pastazakjes gevulde gehakt en bouillon; een flodderig gekookt meelzakje, dat je met beide handen tussen duim en wijsvinger beetpakt en uitzuigt zonder knoeien. Dat lukt me niet.

Als we daarna bij het festivalterrein aankomen heeft zich een menigte jonge mensen rondom het podium verzameld. Zanger Bayar blijkt populair: Onder luid applaus komt hij even later stoer het toneel op in een folkloristische, harige witte lange jas met een zwaard aan zijn riem. Als de band begint te spelen en hij te zingen, gaat het publiek uit zijn dak en probeert het podium op te komen om te dansen. Ze worden het podium afgegooid door mannen in zwarte kleding.

Het publiek klapt, danst, wiegt en beweegt de handen sierlijk en lenig uit de polsen. Een groep zangers ondersteunt Bayar. Ik raak gefascineerd door de dans en muziek. Na afloop wil Bayar iets afspreken, maar ik neem de vlucht.

Het is nog nacht als een taxichauffeur me naar het vliegveld brengt. Hij wacht tot ik ingecheckt ben. Ik wil hem een fooi geven, maar die wil hij niet aannemen.

Zo nu en dan wegdommelend lees ik onderweg het Nederlandse boek van ‘Sandra, First Lady of Georgia’, dat ik bij de Amerikaanse boekwinkel in de ramsj vond en besluit om terug te komen in Tbilisi. Er valt vast nog meer te ontdekken in het Oost-Europa van mijn voormoeders en vaders.

Juli 2007

http://www.youtube.com/watch?v=U7srCKGg5gM