MI FA SO LA RE DO: LES DEMOISELLES DE ROCHEFORT

June 15, 2009 door Sandra

Tijdens het kijken naar de film ‘Les demoiselles ont eu 25 ans’ van Agnes Varda in het Filmmuseum bij het Docu Arts Festival voel ik zomaar een traan in m’n oog. Zomaar?
De film voert terug naar 1966. Mijn zusje Clara en ik zitten dan nog op dezelfde saaie christelijke middelbare meisjesschool in de provincie. We krijgen extra lessen Franse conversatie van mevrouw Ploeg. Ze is streng en ook aardig en vindt dat we met Frans moeten doorgaan. De studie heeft voor ons echter een ander doel, want we hebben het stadium jongens en Frankrijk bereikt. We vinden Franse jongens leuk, leuker dan Nederlandse. Franse jongens zingen ‘je t’aime’, terwijl Nederlandse je pesten als je naar Franse muziek luistert. We vinden alles in Frankrijk beter: de taal, muziek, films en sterren, van Sylvie Vartan, Francoise Hardy tot Jean Paul Belmondo en Alain Delon. We lezen over ze in de tijdschriften ‘Salut les Copains’ en ‘Mademoiselle Age Tendre’, knippen hun foto’s uit en kunnen niet wachten tot er weer een week voorbij is om onze slome schoolagenda’s op te vullen met hun super fotootjes.
En zo zijn we ook op de hoogte van de muziekfilm ‘Les Demoiselles de Rochefort’, die de cineast Jacques Demy maakt in Rochefort met de mooie zusjes Cathérine Deneuve en Francoise Dorléac. Deneuve hebben we al eerder gezien in een Arnhemse bioscoop in een andere musical van Demy, ‘Les Parapluies de Cherbourg’. Het is een meeslepend drama, helemaal gezongen op muziek van Michel Legrand. Maar de jongens hebben de voorstelling verpest, omdat ze niet tegen het zingen kunnen en aldoor ‘Non!’ roepen te blèren door de zaal.

NORMANDIË

Zodra we op vakantie in Normandië zijn, gaan we naar het Casino om ‘Les demoiselles de Rochefort’ te zien. Als francofiel moeten we de film wel mooi vinden; we bewonderen de zusjes, hun witte in pastelkleuren afgebiesde jurkjes, de aankleding en binnen een mum van tijd zoemt het liedje ‘nous sommes les deux jumelles, né sur le signe des Jumeaux, mi fa so la mi re, mi fa so so so re do’ door onze hoofden (al vinden we in stilte dat de zusjes niet echt goed zingen).
We verdiepen ons er verder niet in wat de film doet voor de stad Rochefort, beseffen niet dat deze met de film voor altijd op de kaart is gezet. De stad blijkt zelfs zo blij met de film, dat er bij het 25-jarig bestaan in 1992 feest wordt gevierd. Demy’s vrouw, de innemende cineaste Agnes Varda en de altijd prachtige actrice Catherine Deneuve worden uitgenodigd om het te komen opluisteren. Er is genoeg reden voor melancholie, want zowel Demy als Francoise Dorleac zijn dood. Niettemin gaan ze op de uitnodiging in, zijn goedgehumeurd. Varda maakt opnamen van alles en iedereen rond de film. Deze monteert ze met eerder gemaakte opnamen in Rochefort en maakt het tot: ‘Les demoiselles ont eu 25 ans’, de film waar ik naar kijk. Het is een vrolijke boel, de filmscènes èn de repetities, de outtakes met Gene Kelly, zingend en dansend door de stad meesterlijk.
Dan komt tijdens het kijken ineens de vakantie in Normandië, een ver verborgen herinnering bovendrijven. Daar is het strand, de ontmoeting met de Franse jongens, slokjes cola, zoenen in het Casino, in de tent, oelala en tralala…En dan de achterbank van de auto, de terugreis naar Nederland. We zijn bruin, de haren blond van zon, als onze Franse idolen. ‘Mi fa so la mi re, mi fa sa so so so re do’ zoemt het door onze hoofden. Terwijl de beelden uit de film van Agnes Varda langstrekken, de herinnering aan de 25e verjaardag van de film, voel ik ineens het liefdesverdriet van na de leuke zomervakantie. Alsof het nooit meer over zou gaan. De traan…Oh, vandaar!
Toen de Franse jongen me daarna uitnodigde om met kerstmis naar zijn woonplaats Nantes te komen, ging ik niet eens. Ik had er zelfs nooit meer aan gedacht, tot ik ‘Les Demoiselles ont eu 25 ans’ zag. Het liedje zit sindsdien weer in m’n kop. De agenda is er nog. Op de 1e bladzijde naast het lesrooster is al een fotootje uit de film geplakt. Even was ik weer 14. Ik zou nog wel eens zo zorgeloos willen zijn, zo’n zorgeloze vakantie willen vieren. Wat een verrassing, wat een troost. Je vous remercie, madame Varda.
Schoolagenda

Cameraman Robby Muller krijgt prijs in Paradiso

March 6, 2009 door Sandra

Wat gaat er om in het hoofd van cameraman Robby Müller? Wat ziet hij voor zich? Kan ik in zijn kop kijken? Is deze soms gevuld met lichtinvallen, kaders en camerastandpunten? Ziet hij opnamen van ‘Down by Law’, ‘Barfly’ of ‘Paris Texas’? Of honderd camera’s waar hij de cameraregie over voert in Lars van Triers ‘Dancer in the Dark’? Ziet hij regisseurs en hun typische trekjes? Hotelkamers in onbekende steden? Een brandende palmtak tegen de lucht, die uitdijdt als hij in de fik staat in Steve McQueens ‘Carib’s Leap’?

Dat vraag ik me af, als ik hem met zijn familie vanaf het balkon in de grote zaal van Paradiso in de zaal zie zitten. Weldra zal hij de Bert Haanstra oeuvreprijs van het Filmfonds ontvangen. Actrice Johanna ter Steege is de gastvrouw. Ze komt in vrolijke broek het podium op; is tegelijkertijd twee keer te zien, als poppetje op het toneel en schrikbarend groot als een Alice in Wonderland op groot scherm. Haar microfoontje blijft aanstaan, wanneer ze tussen de programmaonderdelen door tussen de coulissen fluistert met een toneelmeester over de volgende acte de présence.
Vervolgens zien we op het grote scherm een compilatie van Müller’s werk. Het zijn ronduit schitterende momenten uit films, die de genialiteit uitdrukken van deze cameraman van het licht. Alsof hij uitvoerig schilderijen heeft bestudeerd en overgezet op film, gebruik makend van natuurlijk in plaats van artificieel licht. Er wordt beweerd dat hij in het voetspoor treedt van de sublieme schilder Vermeer. Maar ik zie schilderijen van Edward Hopper, beelden van lege ruimten, een enkel mens, spaarzaam licht, stilte in een eenzame wereld.
Een interview over licht dat ik met Muller had tijdens een Rotterdams Film Festival schiet me te binnen. Wat was de aanleiding, een film van Roberto Benigni? Het ging over comedy; het zal ‘Il Piccoli Diavolo’ uit 1988 zijn. Een mooie, lichte film. Wat zei hij ook alweer? Dat het filmen van comedy heel anders is dan een dramatische film met documentaire elementen: “Comedy heeft een ander type belichting nodig, meer licht, helderheid,” zei hij. Extra licht beïnvloedt je stemming. Daar is onderzoek naar gedaan. Ik heb wel eens gelezen dat mensen in het noorden bij gebrek aan daglicht extra licht nodig hebben in de wintermaanden om zich prettiger te laten voelen. Dat comedies vrolijk stemmen vanwege het vele licht, daar was ik me niet eerder zo van bewust en dat had hij toen fijntjes uit de doeken gedaan.

STOFJAS
Terug naar de feestelijke avond in Paradiso, waar Müller lovend wordt toegesproken door Wim Wenders en Jim Jarmusch, karakteristieke regisseurs, met wie hij buitengewone films draaide. Allebei zeggen ze dat hun films door het camerawerk van Robby Müller meer of beter zijn geworden dan ze ooit hadden kunnen dromen, hopen of bedenken. Wenders, in een lange jas, die het midden houdt tussen een stofjas en pandjesjas, kijkt als altijd treurig. Somberheid troef voor deze serieuze man, die zo fanatiek van film houdt als een ander van voetbal. Jarmusch is wat lichter van toon en uiterlijk en ook hij kan zijn emotie niet helemaal bedwingen. Zeker ook omdat hij nog onder de indruk is van de live muziek van de band.
Dan is het (Engelse) woord aan minister Plasterk, die zich in Müller’s vakwerk heeft verdiept. Met zijn vrouw bekeek hij een film met de opdracht alleen op het camerawerk te letten, maar op den duur werden ze toch in het verhaal en de spanning gezogen. Daarna leest de in het wit geklede Nelleke Noordervliet als jury voorzitter het juryrapport voor. En zo ontvangt Müller tenslotte uit Plasterk’s handen de cheque en een beeld, de award. Het is een lang stuk metalen figuur met een punt, zo lijkt het van een afstand; hij plaatst de punt van het beeld aan zijn kin als een spies. Met zijn bijna 70 jaar en onophoudelijk werk – soms draaide hij wel drie grote films in één jaar - is hij versleten; zijn aardige vrouw spreekt plaatsvervangend voor hem op het toneel.
Na afloop krijg ik de kans hem te feliciteren. Hij kijkt me doordringend aan. Wat ziet hij, als hij me aankijkt? Een kader, lichtval, standpunt? En wat bedoelt hij, als hij daarop zacht zegt: ‘Nog niet’? Nog niet de ultieme film, het ultieme shot? Of gewoon nog niet naar huis? Ik wou dat ik het wist.
 

VIETNAM 2008-09

January 26, 2009 door Sandra

Met koorts in bed beleef ik opnieuw de reis door Vietnam. Aanvankelijk durfde ik er niet naar toe, omdat ik bij de naam alleen al aan oorlog dacht. Maar nu was ik er werkelijk geweest en had de oorlog uit m’n hoofd gezet. 

O. ging mee. We reisden samen per trein van Ho Chi Minh City (Saigon) naar Da Nang. Het was heet en droog in Saigon geweest, alsof regen niet bestond. Onderweg sijpelde regenwater langs het raam van de treincoupé.
We hadden geen slaapcoupé. De vrouw van Hotel Number One in Saigon, die de tickets regelde, had gezegd dat de stoelen ‘perfect, als vliegtuigstoelen’ waren. De stoelen waren riant voor Vietnamese ‘petite’ maatjes. Maar we konden er onze benen niet kwijt.
De nachttrein denderde door het donker. Zo nu en dan maakte hij flink vaart. Af en toe stopte hij bij een station. In een vaag schijnsel van gelig licht zag je dan bedrijvigheid tussen de eetstalletjes, als in een film.

PYJAMA EN HOED

Kan ik me de gezichten uit de trein herinneren? O ja. Een groot geel gezicht en nieuwsgierige kleine, blauwe ogen. Het gezicht van de kunstenaar. Zo noemden we hem. Dat kwam omdat hij een ingepakt schilderij bij zich had en een pyjama en grijze hoed droeg. In Saigon had ik geen mensen gezien in zo’n (goedzittende) pyjama. Oud was hij en klein, met grijs, sprieterig haar. De kunstenaar verwisselde aldoor van plaats. Af en toe kreeg hij eten of drinken van een oude dame toegestopt.
Bij een stationnetje stapte hij de trein uit. Vanuit het raam zag ik de gedrongen gestalte op de rails staan. Hij keek nog even naar de trein, zocht de blik van de dame, die achterbleef in de coupé. Ik maakte haar attent op het raam. Ze kwam dichterbij en zwaaide naar hem. Ze droeg een mooi, goed zittend pakje, een broek met jasje van dunne stof. Toen het kouder werd, trok ze er een houtje touwtje jas met capuchon over aan. Bijna alle treinreizigers droegen zulke keurige maatkleding van goeie stof, viel me meer en meer op. Dat deftige en ouderwetse, van in je goeie goed reizen, zoals je dat kent uit klassieke verhalen. Hoe bleven ze zo keurig in de vieze trein met de gore wc? Daarbij vergeleken zagen wij er niet uit in onze t-en sweat shirts met slippers. Om maar niet te spreken van de enkele rugzaktoeristen met hun grote sandalen en vormeloze afritsbroeken.  

DA NANG

Het was vroeg in de ochtend, toen we Da Nang bereikten. Da Nang. Ik kon niet anders dan de plaats te associëren met de oorlog. De Vietnam oorlog heet hier de Amerikaanse oorlog. In 1965 landde het Amerikaanse leger hier, in deze kustplaats. Vergeet de oorlog. Wie zei dat ook alweer? Het was Malte. Hij zei het meteen op de dag dat ik aankwam. We aten toen met een groot gezelschap in een restaurant, waar ze uitsluitend een ongekende variatie aan paddenstoelen serveerden. De paddenstoelensoeppot op het vuur stond in een gat in de tafel: ‘Het is 30 jaar geleden’, zei hij: ‘De mensen zijn dood.’ Maar niet allemaal. De kunstenaar in de trein niet. De dame ook niet. Da Nang was een slagveld. Nu worden de stranden van Da Nang opgeknapt voor toeristen; de industrie is booming.
Hoe verder? Zodra we het station uitkwamen waren er overal taxichauffeurs: ‘Madame! Taxi? Where you go?’ Ik had het adres van een hotel in het nabijgelegen Hoi An. Daar zouden we M & R ontmoeten. Maar de taxichauffeur wist een goed (beter) hotel voor ons. Hij reed in een oogwenk over modderige glibberwegen naar het Phuoc An Hotel. Daar werden we hartelijk ontvangen. Het hotel was nog vol. Tot 12 uur konden we zolang in een gastpension slapen. Een kefferig wit hondje aan de lijn hield de wacht. O. viel vrijwel meteen in slaap, languit.

MADAME, YOU BUY FROM ME?

Ik ben Hoi An gaan verkennen. Eerst een ATM gezocht, om daar miljoenen = Dong uit te halen, lappen papiergeld. Overal waren kleermakerszaken. Overal stonden paspoppen met maatjasjes voor winkels geëtaleerd. Ik hoor smekende stemmen van verkopers: ‘Madame, buy from me, madame, you like your jacket made? I make clothes for you. Very cheap, madame.’ Zou ik zo’n jasje laten maken? Zo’n mooie capuchonjas, die de vrouw in de trein droeg? Het C & A regenjasje van me was eigenlijk al zo oud en koud…Het ‘madame!’ bleef aanhouden. Een zeurderig, aanhoudend gejank, smekend. Ik wees het aldoor glimlachend af. ‘Madame’ wilde alleen maar kijken.  
De pas versnellend op m’n slippers, stootte ik me aan een steen. Een teen begon te bloeden. Ik liep naar het kleurrijke winkeltje  van ‘Cloth Shop and Tailor 55’, 55 Tran Phu en wees naar de teen. Het dochtertje van de naaister nam me mee naar achteren, naar een keukentje en plaatsje. Het zag er primitief uit. Ze wees op een krukje bij een gootje en naar een emmer met schep om om m’n voet te wassen. De hele familie kwam in actie. De broer van de naaister haalde jodium en een gaasje. Maar deze gaf hij mij niet rechtstreeks, maar via de moeder van de naaister. Nu moest ik wel kopen bij de naaister. Ik koos twee bloesjes. Maar dat was niet genoeg. De naaister wilde ook meteen een capuchon winterjas voor me op maat maken. Maar ik had geen zin, niet nu passen en meten. Ik vond de weg terug naar het hotel. O. sliep.
HUÉ
De reis vervolgde naar Hué. We hadden een grote hotelkamer met ventilator in het Ngog Hung Hotel. We gebruikten de fan om onze natte kleren te drogen.
Hué…het is weer zo’n naam van een stad uit de oorlog. De keizerlijke paleizen in de verboden stad worden nu opgeknapt. Hier en daar is dat nog niet gebeurd. Je ziet daar schietgaten in de ruïnes. Het werkt op je verbeelding. Alsof de strijd zich gisteren heeft afgespeeld. Zoals je vroeger ook in de omgeving van Arnhem zag, de resten van de Slag om Arnhem. Daar begon het, de associatie met oorlog. 

In de keizerlijke vijver drommen duizenden enorme vissen. Je kan een zakje voer kopen en ze voeren. Ze spannen samen in een waterballet, golvend en happend naar eten, de bekken opengesperd, een klein orkaantje veroorzakend. O. wordt weer het kleine jongetje van vroeger als hij dit tafereel ziet.

De straatverkoper langs de brug heeft munten, helmen, veldflessen, Zippo aanstekers, opiumpotjes, militaire naamplaatjes, dogtags te koop. Hij heeft daar als ‘t ware zijn eigen museum, zegt O. Die dogtags zagen we voor het eerst in de souvenirshop van het Museum of the City in Saigon. We vonden dat morbide. Ook al is de oorlog 30 jaar geleden, toch gebeurt het weer. Zie ik een man op straat met één been, denk ik aan oorlog. Zie ik een lachende man liggen op straat met één loshangend stukje been denk ik aan de man met de kop zonder romp in ‘Freaks’.
De straatverkoper in Hué vertelde dat zijn vader twee jaar gevangen zat. Hij was gevangen genomen door de Zuidvietnamezen. Na de oorlog was hij de jungle ingegaan. Om voorwerpen te zoeken. Hij zou een hele verzameling originele Zippo aanstekers hebben en ze de volgende dag meenemen. Maar toen we weer kwamen zei hij: ‘Sorry, sorry’. Zijn broer was naar Hanoï vertrokken met de waar.

SAIGON

Er was markt in Saigon. Ik zag vissen snakkend happen in bakken met een beetje water. Ze zouden gehakt worden voor de soep.  Ik zag vrouwen met hakmessen op botten vlees inhakken. Levers en andere onderdelen dreven in emmers met water. It smells of blood.’ Voor het eerst hoorde ik een Amerikaanse stem in Saigon. Waarom juist die zin. Ik keek op en zag twee Amerikaanse mannen. Misschien waren ze 40. Ze droegen halve broeken met grote sandalen. Ze troonden boven de ranke, kleine Vietnamezen uit.
Op straat wordt heel wat afgesjouwd met emmers, pannen, bakjes eten. Ik zie stapels eieren op straat, als Dali schilderijen. Temidden van het verkeer zitten mensen te eten, eten en nog eens eten op peuterstoeltjes en krukjes. Ze prikken met stokjes, slurpen soep. Het lijkt een cultuur van sjouwen en eten. Zo rank en verfijnd de kleding, zo grof is de taal en het verorberen van eten. En zo chaotisch is het verkeer…Iemand wees me eens op een lange rij doorlopende mieren als een natuurlijke verkeersweg. Het aanbrengen van markeringen is onnatuurlijk, beweerde hij. Ja natuurlijk, als iedereen zou lopen, of fietsen… 

GEESTEN VAN NIEUW TIJDPERK

Maar nu vervoeren mensen zich op dezelfde manier in grote getale op scooters en brommers met fancy helmen op en dat gaat niet zonder ongelukken. Bovendien gaat alles, ja alles! mee op de brommer: hele gezinnen, dozen, pakken, oogsten. Kan het méér zijn? De scooter lijkt bijna zo heilig als de schildpad. Ze racen zonder stoppen met lappen voor hun mond als geesten en spoken van het nieuwe tijdperk.
Er is GSM, ATM, er is Internet, maar geen Engelse taal. We zijn verbaasd. We kijken ongelovig naar het ongeorganiseerde, het chaotische. Overal. Naar elektriciteitsdraden, die als zwarte dikke spinnenwebben door de lucht lopen en ooit topzwaar zullen zakken. Als droge bomen die kraken onder teveel last. Er is iets anders te doen, voortjakkeren naar, naar wat?
Iedere dag begint opnieuw met het starten van de scooter. Sexy zijn ze op de scooter, zo ’s avonds. Alsof alle seksuele beleving daarop plaatsvindt. De scooter is ook hangmat; een man ligt uitgeteld op zijn scotter, wachtend op de volgende klus.
Op straat een wirwar van mensen die zich laten fotograferen voor het kerstgebeuren, massaal.
En temidden van de chaos is er ineens stilte bij de tempel: Ik zie een man voor de tempel staan, de handen samen en wensen en verlangen. Naar wat? Wat weet je van de ziel? Ik wou dat ik het wist.
Wat weet ik? Ben al blij dat ik heb uitgevonden dat Nguyen Du een schrijver en dichter is. Nu kan ik tenminste de naam van de straat onthouden, die naar hem is vernoemd. Ons Hotel Number One in Saigon lag aan die straat. Hij leefde in de 18e eeuw en schreef ‘The Tale of Kieu’. Dit is een episch gedicht, bestaande uit 3254 verzen over het leven van Thuy Kieu, een jonge vrouw, die zichzelf voor haar gezin opoffert.
Ik ben er achtergekomen via het dagboek van Dang Thuy Tram. Haar oorlogsdagboek wordt vergeleken met het dagboek van Anne Frank. Zij citeert de dichter: ‘When one is sad, the scenery cannot be cheery’. Ik ben bedroefd. Het landschap kan me niet bekoren.

BUS NAAR HANOI

De zon scheen bleekjes in de ochtend en de zon wasemde de stad uit van de regen. Van het vocht in de straatjes en op de balkons, in onze kleren, het weinige dat we bij ons hebben. We kwamen uit Hué met de nachtbus. We hadden in de bus geslapen op kleine bedjes van Vietnamees formaat in rijen van drie. Ongekreukt kwam de Vietnamese jongen naast me er ’s ochtends vroeg uit tevoorschijn. Zijn zwarte haar zat alsof hij net van de kapper kwam. Terwijl ik geheel gekreukt en gedeukt was. Zo’n kleuterbedje is niet voor een Hollander gemaakt. Het was fijn, avontuurlijk om in die rijdende bus te liggen, met O. vòòr me in de rij. Het lukte zelfs nog om wat te slapen. We maakten een tussenstop bij een wegrestaurant. Er was een wc op een binnenplaats. Een natte, gore voetstap wc. Ik verlangde een ogenblik naar huis.
Er was een voetbalwedstrijd aan de gang op tv tussen Vietnam en Thailand; terwijl we alweer onderweg waren scoorde het Vietnamese team. Het schijnt dat de Vietnamese steden daarna op hun kop stonden met juichende mensen en rode vlaggen. Wij hebben daar in de bus helemaal niets van gemerkt.
In het ochtendgloren tekenden de silhouetten zich af. Zo snel als het avond wordt en pikdonker, zo snel komt het licht van de ochtend. Schoolkinderen fietsen in blauw witte jasjes in rijen over de modderwegen, terwijl de bus luid toeterend rakelings langs ze heen schiet. Moeders met kinderen achterop de fiets zonder stoeltjes of stepjes, hangend tegen de moeder aan, zwenkend in de modder langs vrachtwagens en bussen. Ik gruwel van de onverschilligheid voor elkaar in het verkeer, de onverschilligheid voor moeders met kinderen. Ik wou dat ik kon ingrijpen.
Vietnamese meisjes zitten onberispelijk op de scooters, met kleine schoentjes met hakjes als van Barbie popjes. Ze blijven schoon, zonder spatje modder.
We zijn in Hanoi. In het gezellige pension van het gezin van reisbureau Vietnam à la Carte. We hebben een kamer met balkon. Op het balkon hoor je taxi’s en brommertjes onophoudelijk op de achtergrond toeteren, als de muziek van Vietnam. De was hangt overal te drogen onder de veranda’s en daken en blijft klef, halfnat.
Ik ben belaagd op straat door studenten met boeken, een straatverkoopster met fruit, schoenmakers, die m’n schoenen plakten en een t-shirt verkoopster. Allemaal tegelijk. En toen ik me los geworsteld had en verbouwereerd verderop in een parkje zat, kwam de t-shirt verkoopster toch nog een keer op me af. En daarna weer een student met boeken. Volhouders zijn het. Ze passen zich aan, mopperen of klagen niet, maar lachen. Ik liep vervolgens de verkeerde kant op en passeerde de armste woninkjes en bedrijfjes. Ik zag ladingen oude fietsbanden, oud karton, een kind dat op straat pieste. Ik was verdwaald.

NIEUWJAARSPARTY

In de avond liepen we met z’n allen op straat. We waren op weg naar het nieuwjaarsfeestje bij Ellen en Rob, vrienden van M & R. Rob is bosbouwer en werkt bij SNV. Ze werken in de armste Vietnamese provincies. Een innovatief project is de productie van schone olie voor dieselmotors uit de noot van de Jatrofa plant. De Jatrofaplant groeit goed op Vietnamese bodem. Er zijn al heel wat planten uitgezet op het land. Het betekent meer werk, meer inkomen en een schoner milieu.
Op het feestje was Cees met zijn (geadopteerde) familie de spil. Cees, van reisbureau Vietnam à la Carte. Hij woont al zo’n acht jaar in Vietnam. Met Cees maakten we met nog twee Nederlandse toeristen de volgende dag een wandeling langs de Rode Rivier. We doorwaadden de Rode Rivier om uit te komen op de landjes, waar bewoners groente en fruit verbouwen. Ze wonen in primitieve hutten. Bij overstroming van de rivier bouwen ze de hutten ergens anders weer op. Cees zegt dat die oppak geen enkel probleem voor ze vormt. De mensen zijn hier zo. De wandeling langs de Rode Rivier is mooi. Het doet me denken aan de Rijnoever, de tochten langs de rivier Rijn.  
 
GELUKSVLINDER VAN 2009

De ervaring van de reis was als een wolk. Mijn kop leek erin gehuld. Iedere keer werd ik daar wakker uit een diepe slaap. Ik wist niet waar ik was. Waarom? Welke indruk maakten de heilige Boeddha beelden? Ik zou en moest iedere keer de starende blik van Boeddha op me in laten werken. Ik wou dat er een antwoord kwam op een vraag. Ik zocht een teken van aanwezigheid, naar een symbool. Er kwam een vlinder voorbij in Hanoi. Geel, wit, rood met zwart gevlekt. Het gebeurde bij de tempel van de literatuur. Hij dwarrelde langs me en ik volgde hem. Een Amerikaanse toerist kreeg hem ook in de gaten. Hij riep: ‘I’m going to grab him!’ Zijn partner: ‘Oh no, you don’t!’ Gelukkig.  Ineens was de vlinder verdwenen. Hij verschool zich achter de rug van een man, die met een kind op een bankje zat. De man zat voorovergebogen. Ik wees het kind op de vlinder. Hij was niet verrast. De man bewoog eerst niet, maar stond toen op. ‘Good luck!’ zei ik en wees op de vlinder. 
De vlinder bleef zitten met de vleugels samen en ik maakte een opname. Een grote vlinder, dwarrelend door de grote stad, neerstrijkend in de betrekkelijke stilte in de tuin van de eeuwenoude school. Ik wou dat de vlinder geluk bracht.  
Wanneer werd ik wakker uit de roes? Op de luchthaven. Ik was er geweest, in Vietnam. Had gezien dat alles anders was dan ik had gedacht. Nu zou ik nog altijd terug kunnen gaan. Engelse les geven. Alles zou veranderen. Op de luchthaven was alles weer hetzelfde, opgegaan in een eenheidssmaak van merknamen. In Amsterdam was het koud en donker. M & R waren er al. We dronken een kopje koffie op Schiphol. Het was leeg in de tram. Er waren geen straatverkopers op de Rooseveltlaan, er klonk geen ‘madame!

HET VERZOENDEKSEL

September 12, 2008 door Sandra

Wie 60 wordt, viert dit met een groot feest, verre reis of laat het passeren. Beeldhouwster Ida Kleiterp besluit haar 60e jaar te vieren met verzoening met het leven, zichzelf en de omgeving in de vorm van verzoendeksel, kunstenaarsboek en beeldenroute in het Joods Historisch Museum.
Het is een onverwachte uitnodiging van beeldhouwster Ida, zomaar op maandagmorgen aan de telefoon, of ik in het Joods Historisch Museum wil komen kijken en luisteren naar haar ‘verzoendeksel’… Wat moet ik me daarbij voorstellen? Van Kleiterp zijn vooral uit graniet of arduin gehakte grote jurken bekend; flinke oermoederbeelden met een postuur als zij zelf, met beitelsporen nog in de steen. Daarna kwamen uit haar handen tevoorschijn onder meer een ‘bloem-bed’, uit arduin gehakt, ‘twaalf stenen kussentjes’, van arduin en zwart marmer en een ‘onder tafel’ beeldje in brons. Deze beelden moeten nu her en der in het museum staan.

Ida loopt het museum in alsof het haar eigen huis is. In de ‘Grote Synagoge’ zaal laat ze tussen de vaste opstelling drie middelgrote ‘Aartsmoeders’ zien van wit glinsterend ruw marmer. Ze zijn er dus nog, de oermoeders. 
Intussen heeft ze het over de oktobermaand, tijd van bezinning. In de joodse traditie is Grote Verzoendag Yom Kippoer dag van inkeer, vasten en gebed (dit jaar op 9 oktober). En over het Verzoendeksel, dat ze baseerde op de beschrijving in de Tora, de boeken van Mozes, de Ark van het Verbond.
Vervolgens toont ze de ‘mikwe’, plaats van zuivering. Dit eeuwenoude badhuis is opgegraven. Het bevindt zich beneden, onder Amsterdams Peil. Daar, op een metershoge sokkel vanaf de badhuisvloer, staat ie dan: het Verzoendeksel.
DE KUS
Op het eerste gezicht doet deze me denken aan ‘De Kus’ van de beeldhouwer Brancusi, van elkaar omhelzende geliefden in een vierkant blok; hoofd en lichamen ontmoeten elkaar in het midden. Ida’s moderne variant is een wit albasten blok als een doos met daarop twee naar elkaar toebuigende vleugels of witte schelpen, wie zal het zeggen.
Rondom bevindt zich een geluidsinstallatie, ontworpen door geluidsman Erik Langhout. In plaats van koptelefoons zijn MP3 spelertjes in vormen van transparant hars geïnstalleerd. De ‘oren’ van Langhout staan op sokkels. Hij gebaart er tussenin te gaan staan. De klank van een mensenmenigte veroorzaakt even desorëntatie. Dan boem, boem!, schoten, zuchten, getingel en helder natuurgeluid van onweer, regen, zee, vogels en stromend water. Het is een vreemde ervaring stilletjes dit ritueel te ondergaan, terwijl vlakbij het verkeer op het drukke Mr. Visserplein langs raast.
Langhout legt uit dat de mix geluiden het ontstaan van de aarde nabootsten of ermee associëren; hij noemt het ‘meditatief geluid’. “Geluid roept beelden op”, aldus Ida: “Terwijl een beeld gevoelens voor mezelf oproept.” Langhout gaat door op de geluidsband, die 4 minuten en 46 seconden duurt en in elk MP3 spelertje zit. De spelertjes worden ieder na elkaar opgestart.
Het is een (steen)goed idee. Hoe kom je erop? Ida trof in het Bijbels Museum een replica van het originele Verzoendeksel met twee engelen. Daartussen spreekt God. Onder het deksel bevinden zich de geboden en teksten.
Ze raakte er gefascineerd door. Zo ontstond haar Verzoendeksel en kunstenaarsboek over het verzoeningsproces met het leven, zichzelf en de wereld. Ida voegt er aan toe: “…van leven zonder kinderen, alleen, met hangt….”, het woord inslikkend. Ze vergelijkt het met schoonmaken.
Ze stelde het boek samen op een intuïtieve manier, daarbij geïnspireerd door Japans prentpapier, toppunt van schoonheid en harmonie. Het boek is er in het origineel en gedrukt inkijkexemplaar. Schrijfster Tamara Benimah schreef het voorwoord, beginnend met de zin: “Het leven is een harde noot om te kraken.” Gelukkig is er nu als troost het Verzoendeksel, als eigentijds ritueel in een object met veel techniek.
Irene Faber van het Museum stelde de tentoonstelling samen. Ze vindt het een ‘leuk uitgangspunt’ om het Verzoendeksel te exposeren met Kleiterp’s werk uit de collectie. Ze wil hier in de toekomst meer mee gaan doen met kunstenaars.
Ook het Kindermuseum is erbij betrokken. Ida gaf les, liet kinderen verzoeningskaarten maken over iets dat ze erg vonden en/of ongelukkig over waren. Zo schreef een kind de binnenkant van een kaartje vol met de woorden ‘dik’ en ‘dun’ en plakte op de voorkant een smal reepje Japans papier: Dun.  
Van 20 sept.- 30 nov. 

http://www.sandravanbeek.nl/PDF/NRC-300908.pdf

MILA DIEREN IN ROSA SPIER HUIS

door Sandra

(Openingswoord bij expo, Laren 7/9/08)

Het is voor mij een eer om de tentoonstelling van mijn zusje Mila van Beek in het Rosa Spier huis te mogen openen.
Nu denkt u vast dat de familie van Beek elkaar de hand boven het hoofd houdt in de kunst. Dat is ook zo. Toen Mila me vertelde dat ze hier een tentoonstelling kreeg, vroeg ik spontaan: ‘Mag ik die openen?!’ Waarop Mila reageerde: ‘Ja! Waarom niet?’
Nu heb ik natuurlijk wel even nagevraagd of ze het echt meende - je weet het maar nooit bij een grillig kunstenaar - maar het is toch echt de bedoeling dat ik hier sta.
Mocht nu het idee zijn ontstaan dat ik hier de schone schijn zit op te houden, kan ik u maar beter meteen vertellen dat ik oprecht vind dat Mila mooi werk maakt en kan ook uitleggen waarom.
Dat ligt tenminste aan drie dingen.
Ten eerste haar talent. Al vroeg, als kind tekende zij dieren. Paarden, leeuwen, honden. Ze deed dit met een enorme vaardigheid. Er wordt wel gezegd dat talent eigenlijk niet bestaat, maar dat het zich jong ontwikkelt door oefening. Bij Mila is dat absoluut het geval. Er zijn schetsboeken, kladblokken vol met Mila dieren. En meestal helemaal niet getekend met speciale materialen, maar gewoon met ballpoint of viltstift. Voornamelijk lijnen van het dier, zonder achtergrond of toevoeging.
Ze volgde een opleiding aan de Arnhemse Kunstacademie, maar niet een beeldhouwersopleiding, dat kwam pas na de Academietijd. En ze is de afgelopen twintig jaar voornamelijk beeldhouwer. Dieren zijn nog steeds voornamelijk haar onderwerp. Ze laat zich wel inspireren door niet-westerse volkskunst, maar heeft vooral haar eigen, gave stijl verder ontwikkeld.
Ten tweede, haar vakmanschap. Mila beheerst de steen waar zij uit hakt volledig, ze kent de aard van het materiaal.
Ten derde en tevens het belangrijkste: haar manier van kijken en voelen. Zij weet de ziel van een dier te treffen. Zij zegt over dieren: ‘Voor een dier moet je respect hebben, onderschat de kracht niet’. Deze kracht weet ze in haar beelden om te zetten, waardoor het altijd meer is dan zomaar een beeldje.
Zij weet een specifieke houding of beweging te treffen en houdt zich bezig met wat zij noemt de mystiek en ondoorgrondelijkheid van het dier. Ze zoekt en vindt een wezenlijke expressie.
En heeft oog voor detail.
ANEKDOTE
Dit wil ik illustreren aan de hand van een anekdote. Ze kent deze misschien, maar ik wil hem graag nog eens bij deze gelegenheid vertellen.
Mila was nog klein en ik ook, maar toch tien jaar ouder. Ik had haar van school gehaald en moest even iets brengen of halen bij een mevrouw in de buurt. Zo kwam ik met haar de huiskamer van de mevrouw binnen en wisselde een en ander met haar uit. Het was een kort moment, dus we hielden onze jassen aan. Mila droeg een wollen jasje, dat gemaakt was door mijn moeder. Het was afgebiesd met rood band en veel gedragen.
Mila bleef midden in de kamer staan en begon met haar vingertje te wijzen naar alles wat zich in de kamer bevond, een schilderij, afbeelding, klok, plant, een vogel enzovoorts en benoemde het.
De mevrouw keek onthutst naar het kleine meisje en reageerde: ‘Nou, jij hebt je ogen ook niet in je zak zitten!’
Waarop Mila’s handje naar het afgebiesde zakje van het winterjasje ging en ze voorzichtig in het zakje van haar versleten jasje gluurde.
Een ontroerend, humoristisch moment, net zoals haar beelden dit teweeg kunnen brengen. Vandaar dat het nooit zomaar beeldjes zijn. Dat is op deze tentoonstelling te zien tot 19 okt.


    

TEARJERKER, PREMIÈRE VAN ‘BIKKEL’

September 4, 2008 door Sandra

HET KORTE LEVEN VAN BART DE GRAAFF

Hoe komt het eigenlijk dat je volschiet bij het kijken naar een filmscène, waar zit het moment? Tijdens het kijken naar ‘Bikkel’ vroeg ik me af hoe dat komt. 

Het gebeurt in een moment, in een ogenblik. In een bioscoop kijk ik naar een scène van vluchtende mensen uit het ghetto van Warschau. Het is de film ‘Schindler’s List’ van Steven Spielberg. De film is in zwart wit. Ineens wordt mijn aandacht naar de kleur rood toegetrokken en zie ineens een vluchtend klein meisje in een rood jasje. Door de rode kleur lijkt het alsof ik naar het heden toegetrokken word. Ze wordt levend, ze doet me denken aan een meisje dat ik ken. Ineens voel ik me actief betrokken; ik zou het kind willen vastgrijpen, meetrekken naar een veilige plek. Maar zit ondertussen onbeholpen, apathisch in de bioscoopstoel. Dan schiet ik vol, treurend over het ongeluk dat het kind te wachten staat, apathisch omdat ik niks doen kan. 

Nog zo’n moment, in ‘Hannah and her sisters’ van Woody Allen. Een scène tussen geliefden in een atelier. Er wordt geen woord gesproken tussen de twee mensen, het is een onmogelijke liefde. De onmogelijkheid maakt me apathisch; er gaat een golf van emotie door me heen.

En dan ‘La Vita è bella’, tragi comedy van grote clown Roberto Benigni. Over hoe een vader zijn kind beschermt in een concentratiekamp. Aan deze ellendige situatie is helemaal niets te doen; het zal slecht aflopen. Wat kan je als vader beter doen voor het kind dan de omringende wereld anders, mooier, grappiger voor te spiegelen dan deze is? Met als gevolg dat ik doorlopend moest huilen, hoezeer ik er ook tegen vocht. Huilen vanwege onmacht.

Bikkel’ van Leo de Boer is een documentaire over het korte leven van Bart de Graaff, alias Bikkel, de oprichter van BNN. Het is een zogenoemd ‘intieme’ film. Je ziet zijn moeder, zusje en vader. Ze vertellen over hem. Ze luisteren en reageren op beeld en geluidsfragmenten van Bart. Hij vertelt over zijn ziekte, leven en familie.

KERMIS EN VARIÉTE

Zo vertelt Bart hoe hij ten gevolge van een nierziekte op jonge leeftijd overgeleverd was aan doktoren, onderzoeken, operaties, medicijnen, diëten. En zich opwerkte tot een grote clown, die gewaardeerd werd om zijn directe stijl, moed, brutaliteit. Hij zag het leven als een momentopname, waarin hij alles wilde doen wat maar mogelijk was. Iedere minuut telde. Dit gaat over een circusartiest, man van kermis en variété. Voor wie angst en avontuur moest worden ingehaald, na zoveel jaren in ziekenhuisbedden te hebben versleten. Voor wie een vroeg einde kwam aan zijn leven. Zijn moeder en zusje hebben hem altijd beschermd, een veilig leven willen geven en dat is nu afgelopen.

Zoveel jaar na zijn dood koestert zijn moeder zijn kamer met memorabilia en denkt zijn zus nog dagelijks aan hem. Al was het maar omdat ze haar zoontje Bikkel heeft genoemd. De moeder heeft tranen in de ogen, de zus breekt op een bepaald moment.

Ik zit er naar te kijken, voel medeleven, maar huil niet. De film is wellicht bedoeld als tearjerker, maar tranen blijven uit.

Hoe komt het, waar zit het moment? Het is documentaire, dus ‘echt’. Er is een archiefopname van Bart, die weer in het ziekenhuis ligt en zelf breekt. Beschamend vind ik het, hiernaar te moeten kijken. Er wordt iets opgedrongen; de eenzame moeder, een rottige scheiding van ouders, het sterke zusje, de mooie vriendin, die er niet tussenkomt. Wat heb ik met deze privé zaken te maken?

Bart is op z’n best, als hij stil iedere minuut van zijn bestaan vastlegt door mooie plaatjes te tekenen. En wanneer hij zichzelf lanceert met de groten der aarden voor BNN. Wanneer de kleine man met een handicap zich groot blijft voordoen is er de emotie.

http://www.youtube.com/watch?v=HqwuTU4VPI0
(S. van Beek en L. Mijnlieff in gesprek over emoties na de film)

TIRAMISU, DE FILM: VEELBELOVEND BEGIN

March 25, 2008 door Sandra

God, wat begint Tiramisu veelbelovend.
Een actrice buigt op het toneel na afloop van ‘haar’ toneelstuk voor een volle zaal met applaudisserend publiek. Als ze in het felle licht de zaal inkijkt, ziet ze hoe op een voorste rij een man van middelbare leeftijd met een jonge vrouw de zaal verlaat. Terwijl ze langs de stoelen wegschuiven volgen we zijn blik; hij kijkt met zowel trots als weerzin naar de gehuldigde actrice op het toneel.
Misschien heb je op dat moment genoeg voorkennis, wetend dat deze over een gescheiden actrice gaat: Dit zal haar ex man dus zijn met een jonge, blonde vriendin. Terwijl je nog niet in de ogen van de actrice kijkt, zie je wel vanuit haar gezichtspunt de blik van de man. En voelt meteen dat het hier gaat om een pijnlijke liefdesaffaire, met daarbij gepaarde jaloezie, haat, afgunst en trots. En dit zich afspeelt in de wereld van het theater.
Punt. Hoezo, punt?
Nou, vervolgens zit je zomaar naar scènes te kijken, waarin Anneke Blok vreselijk haar best doet om het karakter ‘neer te zetten’, zoals het heet. Het ene cliché volgt het andere op. De veelbelovende spanning van de eerste scène is verdwenen.
Halverwege zie ik mezelf in het donker naar het doek kijken in de gezellige bioscoop De Uitkijk: Waar kijk ik nu eigenlijk naar? Naar een succesvolle actrice, die haar financiële leven niet op orde heeft, niet stil wil staan bij het verdriet en de schaamte van een scheiding en dit uit de weg gaat met het drinken van veel goede wijn, het kopen van peperdure schoenen en volop aanwezig zijn. Die getemperd wordt door een brave boekhouder met een even brave vrouw, die te weinig hebben van wat zij teveel heeft. Een actrice, die afwisselend wel en niet overweg kan met haar dochtertje.
‘LEUKE’ SCENETJES
Anneke Blok, Hollandse diva, mooi, stoer en flink, speelt en toch gebeurt er weinig. Het lijkt alsof je het script mee zit te lezen. ‘Leuke’ scènetjes, waar de scenarioschrijver erg blij mee is, volgen elkaar op. Mist dieptewerking, spanning en humor. Over schaamte wordt gesproken, maar niet zichtbaar gemaakt. En het pijnlijke van het ouder worden als actrice wordt duidelijk in een ‘leuk’ scènetje. Zoals de doos, waar een paar Prada schoenen in zat en waar nu bonnetjes in bewaard worden. De traktatie van het gemis. Dit alles onder het mom van een ‘feel good movie’. Alsof een ‘feel good movie’ geen diepte vereist.
Het door schade en schande overeind blijven van een gekrenkte, trotse vrouw met klein hartje is een emotie, die ik zou moeten herkennen en vele andere vrouwen in de zaal met mij. Maar ik voel geen treurig lachende tranen, zoals bij het Bette Midler spel. Flauw, en toch moet ik aan haar denken. Net zo’n flinke vrouw, die je kan emotioneren door te durven klein hartje te laten zien.
Ha, hij komt terug, de man, Gijs Scholten van Asschat. Daar is de spanning weer als in de eerste scène.

Hoe komt dat nou? Volgens mij heeft hij het begrepen en veel ervaring mee: In film spelen is eerder een kwestie van niks doen in plaats van wel. Kijken, blik op oneindig, weten dat je de man van die verlaten, trotse vrouw bent. Laten zien dat je emoties hebt, maar ze schamper verbergen en toch openbaren in het kijken. Die blik geeft een zekere troost. Er zit oud zeer in, iets onhandigs: ik weet het ook niet. Die blik is geoefend. Toch lijkt hij echt, echter. Hij kan veroorzaken dat je dan als toeschouwer vanzelf gaat lachen of huilen.
Eigenlijk jammer dat hij, die prick, uitgerekend die rol mag spelen. Ik had deze liever de actrice toebedacht.
25 maart 2008.

MARIA SCHNEIDER IN HET FILMMUSEUM

February 29, 2008 door Sandra

We worden ouder.
Hè, wat flauw om mee te beginnen. Hoezo? 
Het was nu eenmaal een gedachte op de Italiaanse avond 27 februari bij de hommage aan de vorig jaar overleden filmregisseur Michelangelo Antonioni in het Filmmuseum. Want de Franse actrice Maria Schneider was erbij om Antonioni even tot leven te brengen met de nieuw uitgebrachte film ‘Professione: Reporter’. Daarin acteert zij en is haar schoonheid ook blijven leven.
Destijds, toen ik de film in 1975 zag, vond ik er geen klap aan.
Na zoveel jaar is mijn oordeel bescheidener: Mooi van sfeer, maar nog steeds onbegrijpelijk.
Maria Schneider, zwarte bos haar, witte broek, donker marinejasje met steekzakken. Daar staat ze, voorin de zaal. Ze was meen ik ontdekt door B.B. en maakte haar opvallende debuut in ‘Last Tango in Paris’ in 1972 met Marlon Brando.

Ja, ze is dus ouder geworden. Voorbij het lieve gezichtje, de donkere ogen met zwarte wimpers vrijwel zonder make-up. De haast onverschillige en zwoel kijkende blik. En dan toch ineens een voorzichtig lachje. Wat was die uitstraling? Iets mannelijks, slordigs, onaantastbaars. Zwervend, nonchalant en toch diepzinnig. 
Daar loopt ‘La’ Schneider in lange wijde rok met banen van bloemetjesstof en espadrilles in de film. In het Engels ‘The Passenger’. Betere titel. Eigenlijk een hele mooie scène aan het eind, als zij weggestuurd is door haar leading man. Dit is Jack Nicholson, een lege tv reporter, die het schijnbaar lege leven opvult van een zakenman. Deze blijkt in wapens te dealen voor de guerrilla in niet nader genoemd Afrikaans land.
We zien Schneider door het raam van de hotelkamer buiten. Ze loopt doelloos rond op het pleintje. Zal ze weglopen of toch wachten? Rondom haar rijden een paar auto’s af en aan. Ze lijkt het te weten en ook weer niet, dat de man die zij zomaar tijdens haar zwerfleven heeft ontmoet, vermoord zal worden. Zij slentert rond in een eindeloos durende scène. Het zal de bedoeling zijn, want dit doen personages vaker in Antonioni’s films.  
Jack Nicholson hield de filmvertoning 25 jaar tegen. Dat kon hij, omdat hij de rechten kocht. Sandra den Hamer, Filmmuseum directeur, vroeg er Schneider expliciet naar. Nicholson zou de kunst van Antonioni hebben willen behouden. Was er soms meer aan de hand?
GEEN STERALLURES

Na de film, tijdens de overdadige receptie van het Instituto Italiano di Cultura, krijg ik de kans even met Schneider te praten. Ze heeft geen sterallures. Het lieve smoeltje en lachje voor Nicholson is verdwenen. Nu is Nicholson de klootzak; hij is de enige die geld aan de film overhoudt, zij en Antonioni krijgen niks. Ze had ook kunnen zeggen: Antonioni en ik zijn zo stom geweest dat we de rechten niet hebben geregeld. Maar nu is ze een doorgewinterde vrouw. Nicholson was altijd al een ‘asshole’. Hoe kon ze dan zò lief tegen hem lachen? ‘Omdat ik zo’n goede actrice ben!’ roept ze uit. Haar lach klinkt satanisch. Eigenlijk net als Nicholson’s satanische lach (die hij niet toont in ‘The Passenger!’)
Ze heeft in zo’n 30 films gespeeld. Vele beroemde regisseurs wilden haar destijds in hun film. Onder wie Luis Bunuel. Hij ontsloeg haar na drie opnamedagen van ‘Cet obscur objet du désir’, omdat ze niet in staat was de rol te spelen. Ze was heroïne verslaafd.
Maria zegt dat ‘The Passenger’ haar lievelingsfilm is. Waarom? ‘Omdat ik destijds ook zo’n zwervend bestaan leidde. De rol was op me geschreven’…
Ik vertel haar niet, dat nadat ‘Last Tango in Paris’ uitkwam, mensen vonden dat ik op haar leek. Het ging zover, dat Férenc Kàlmàn Gall van productiebedrijf Cineteam waar ik als stagiaire werkte op me afkwam: ‘Ik heb je zien lopen, ik heb je zien dansen!’ Ik vond dat wel vreemd. Want zag de gelijkenis niet. Zeker niet toen ik Schneider in levende lijve ontmoette in een geluidsstudio. Ze was met Monique van de Ven dialogen aan het inspreken voor “Een Vrouw als Eva”. Ze was bi en daar ook op gecast.
Nadat Schneider tijdens de Italiaanse avond haar gram had geuit over Nicholson, stelde ze me voor aan haar ‘new Italian friend’ en raakte verder met hem in gesprek.
Toen ik de volgende dag een krantenfoto van haar zag met een huid van craquelé schrok ik. Oei, wat pijnlijk. Er waren vast meer foto’s gemaakt; deze was beslist niet de meest flatteuze. In het interview heeft ze net als over Nicholson geen goed woord over voor Bertolucci, die haar regisseerde in ‘Last Tango in Paris’. En de rol die ze speelde was eigenlijk bedoeld voor een man ook nog…
Tsja, we worden ouder. Flauw is het wel. Maar toch niet bitter?

OORLOGSWINTER FILM OPNAMEN, Litouwen 2008.

February 20, 2008 door Sandra

Het was een raar reisje, naar Litouwen. Ik was meegegaan met Els Vandevorst, die de  Nederlandse film ‘Oorlogswinter’ mede produceert. De opnamen vinden daar deze winter grotendeels in de bossen plaats.

In de hoofdstad Vilnius hadden Els en ik de avond voorafgaand aan de eerste opnamedag door de oude stad gelopen op zoek naar een restaurant. Daar was ik op een aflopende stoep met mijn voet in een kuil blijven haken en keihard met mijn kop tegen de vensterbank van een restaurant gevallen.

Ik had een grote buil op mijn hoofd, maar wilde me niet laten kennen. En ging de volgende dag dus met Els mee naar de opnamen in de Litouwse bossen. Mijn rechteroog was zo dik als een paars ei en zat dicht. Het gaf wel een mooi plaatje, vond de crew; de vrouw, die de kostuums verzorgde, kwam op me af met haar camera en vroeg: ‘Mag ik een foto van je oog maken?’ En regisseur Martin Koolhoven, die het bekeek, zei dat als je zo’n oog zou grimeren, niemand zou geloven dat het echt leek!
Met het goede linkeroog bespiedde ik de situatie op de set. Het leek heel echt, toen een legertje figuranten in Duitse uniformen met helmen op en geweren onder de arm kwam aanlopen. Alweer Duitse uniformen! Hoe vaak zijn ze al in films gebruikt? Ze gaan heel wat jaren langer mee dan de oorlog in werkelijkheid duurde (of worden nog steeds nagemaakt). Wie na W.O. 2 een kostuumbedrijf zou zijn begonnen in Nazi oorlogsuniformen en helmen, zou nu toch minstens miljonair moeten zijn? was de gedachte, terwijl ik ’soldaten’ onbeschaamd met de videocamera filmde. Ze stonden te wachten op Koolhoven’s aanwijzingen en baggerden vervolgens door de sneeuw tussen de bomen, speurend naar een RAF soldaat.
JAMIE

De soldaat, de Engelse acteur Jamie Campbell Bower (te zien in ‘Sweeney Todd: The Demon Barber of Fleet Street’), verborg zich in een goed gebouwde schuilplaats in het bos. Hij werd daar stiekem uitgehaald door de 14-jarige Martijn Lakemeier, die als held Michiel de rol van zijn leven speelt. Martijn, wollen muts, colbertje met schoudertas, bekeek tussen de opnamen door de ouderwetse leren schoenen aan zijn voeten, die hij nooit eerder had gedragen. Voor een andere opname mende hij stoer paard en wagen, als hij op de vlucht is voor de vijandelijke Duitse soldaten om ‘zijn’ Britse soldaat te redden. De her en der rondlopende Duitse soldaten in de achterhoede speelden niet dreigend; hun uniformen en helmen waren op zich bedreigend genoeg.  
Film is illusie. Ook sneeuw kan dat zijn. Het had in werkelijkheid moeten sneeuwen in de dichtbegroeide Litouwse bossen. Ook in februari sneeuwt het er altijd. Vorig jaar nog, toen in de witte, bevroren wereld de Amerikaanse thriller “Transsiberië” opgenomen werd. Op de vroege ochtend van 11 februari kwam er toch zowaar nog sneeuw uit de lucht vallen, die licht bleef liggen op bospaden en boomtakken. Maar niet genoeg. 
Het gelijknamige boek van Jan Terlouw waar de film op is gebaseerd, speelt zich af in de barre winter van 1944/’45. Productie en regie stond voor de keuze: sneeuw of geen sneeuw. Gekozen werd voor sneeuw. Daarom verplaatste een groot deel van de productie zich naar Litouwen. Was de keuze juist? Men had ook voor nepsneeuw kunnen kiezen in Nederland. Toch zijn er meerdere redenen om de keuze te laten vallen op de Litouwse bossen: De locatie ligt een kwartier rijden van Vilnius en toch bevindt je je in ongerepte natuur, temidden van berken, dennen en sparren. Het is volkomen stil. Je hoort niets van het verkeer. Zelfs geen vliegtuig ronken. Kom daar maar eens om, in Nederland. In die oneindig diepe stilte kon je zelfs dicht in de buurt van cameraman Guido van Gennep de camera met de 35 mm. film in de cassette horen ratelen. Dat was nou net weer niet de bedoeling…Zo is het altijd wat, in filmland.


Foto Els Vandevorst

 

I.M. JAN WOLKERS (1925-2007)

October 23, 2007 door Sandra

En dan is hij er ineens niet meer, Dadi (Daddy), zoals hij vroeger door ons, de buurtkinderen van de Zomerdijkstraat, genoemd werd. En zal hij je nooit meer vertederend toespreken alsof je nog steeds een mollig peutertje bent, voor wie hij - zoals in het tv programma over zijn achtertuin - varkentjes van eikels maakte. Zelfs op zijn tachtigste herinnerde hij zich dat je de r niet kon zeggen in het woord varken.   

Deze anekdote dateert tussen 1952 en 1958, toen Jan Wolkers onze buurman was in de atelierwoningen in de Zomerdijkstraat. In die periode speelden zich allerlei grote en kleine drama’s af tussen de bewoners, de kunstenaarsechtparen en hun vele kinderen van de baby boom generatie, waar ik nog net bij hoor.

Toen de architecten Zanstra, Giessen & Sijmons in de jaren ’30 van de 20e eeuw deze atelierwoningen ontworpen als innovatief project waarmee ze opvielen, konden ze niet voorzien dat de gezinnen zich in de jaren ’40 en ‘50 dermate zouden uitbreiden dat ze uit de kleine, gezellige flatjes met aansluitende ateliers zouden barsten. En dat dit gebouw van staal dan nog gehoriger zou zijn. Zo hadden mijn broer Michaël en zijn vriend, buurjongen Eric Wolkers ontdekt, dat ze elkaar woordelijk konden verstaan bij de afvoer van de wastafels in aangrenzende badkamers van nr. 22 en 24.

Wolkers woonde er sinds 1950 met zijn jonge gezin op nr. 22 in de voormalige atelierwoning van beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen. Als aandenken aan de moedige verzetsstrijder, die in de oorlog is doodgeschoten, was er een plaquette op de buitenmuur. Ieder jaar bij Dodenherdenking werd daar een fris boeket bloemen aan een spijker opgehangen. Jan haatte die bloemen, zoals hij beschrijft in ‘Turks Fruit’, omdat het frisse boeket er gaandeweg dor en droog bij hing. Het bewijs ervan is toevallig te zien op de foto die mijn vader Marius maakte van de familie in het kale voortuintje ter gelegenheid van de Eerste Communie van mijn zusje Tinka. Op de achtergrond staat Jan vaag het roomse tafereel te aanschouwen. Naast hem hangt het verlepte boeket als zielig aandenken.

WITTE RADIO

Jan was beeldhouwer, nog geen schrijver en niet beroemd. Toch zag ik hem toen (net als mijn vader, die ook beeldhouwer was) niet in zijn atelier werken. In mijn herinnering was het juist vrijwel leeg. Dat was op het moment dat hij de buurtkinderen uitnodigde om naar zijn nieuwe radio te komen kijken. De radio was heel bijzonder, want deze was wit en uit dat pronkstuk kwam geen geluid, althans dat hoorde ik niet. Hij heeft die radio altijd gehouden. Wit was hij echter niet meer. “Hij is een beetje geel geworden, hè?”, reageerde hij met de zo kenmerkende stem, toen ik er veel later naar vroeg.

De huur van de (beeldhouwers) atelierwoningen op de begane grond was destijds 75 gulden. Dat was veel en zeker voor een kunstenaar. Er woonden dan ook niet-kunstenaars in het gebouw. En als de kunstenaars niet van de kunst konden leven, hadden ze er een baan bij. De meeste vaders waren uithuizig en altijd druk, zoals mijn vader, die je eigenlijk niet zag, maar wel aanwezig was, in en uitlopend als een snel voortdrijvende wolk van energie.

De buurtkinderen waren vaak aan hun lot overgelaten en hadden wel lopende ruzies. Zo gingen de jongens van Zomerdijk en Kinderdijkstraat elkaar wel te lijf met rozentakken en brandnetels. Het gebied rondom de te bouwen of net gebouwde Utrechtsebrug, de zogenoemde  ‘landjes’ was niet bebouwd en prachtig speelterrein.

PETER EN DE WOLF

Jan, de kindervriend, had wel eens meer tijd: Zo leerde hij mijn zusjes fietsen op een gehuurd fietsje. Ook draaide hij de plaat van ‘Peter en de Wolf’ in zijn atelier, gaf buurtkinderen opdracht dieren uit te beelden en schaterlachte om hun pantomime. Hij nam zijn oudste zoon en mijn zusje mee naar de bioscoop. Niet naar een kinderfilm, maar naar de Amerikaanse film ‘The Grapes of Wrath’ uit 1940 van John Ford met Henry Fonda in de hoofdrol, waar de kinderen niets van begrepen, maar waar hij een fijne middag aan overhield. De kinderen werden overigens ook bij de buren in hun ateliers ingezet om te poseren. Zoals Eric, die zo lang achtereen naakt moest staan voor Jan’s beeldje ‘De Jongen met de Haan’ (opdracht voor een Sloterdijk school), dat hij er een blaasontsteking aan overhield.    

Maria Wolkers-de Ro, zijn eerste vrouw, was apothekersassistente. Buurman Theo Swagemakers schilderde haar portret (in 2003 te zien op een tentoonstelling van Zomerdijkstraat-kunst bij veilinghuis Glerum). Maria was mooi. Mijn moeder sprak over haar als ‘de arme Maria’ nadat het grote drama zich had voltrokken met het dochtertje Eva, dat levend verbrandde onder de douche of in het bad.

De watertemperatuur in de woningen kon plotseling wisselen van koud naar heet. Daar werd je als kind constant voor gewaarschuwd. Zelfs de simpele vraag, die ik als kind aan mijn moeder stelde: “Kan je ook warm water drinken?” leidde tot een vreemde stilte, tot ze eindelijk antwoord gaf: ‘Ja. Waarom vraag je dat? Gek kind.

STOERE AMERIKAAN

Jan vond het gammele Eendje van zijn buurman maar niks (hìj had later zelf een stoere Amerikaanse wagen), maar mijn vader trok zich daar niks van aan. Zelfs na een auto ongeluk waarbij hij zijn been brak, had hij daarna toch weer net zo’n Citroën. Speels hobbelde de Eend over de grachten als we op zondag  met z’n allen achterin naar ’Onze Lieve Heer op Solder’ reden. Als we in de auto de straat uitreden, keek Eric ons wel eens na. Naar de kerk gaan vond hij onbegrijpelijk.

Ik was vijf, toen we in 1958 naar de provincie verhuisden. Dit gebeurde onder het mom dat het ‘zo goed’ was voor de kinderen om meer ruimte en frisse lucht te krijgen. Het schijnt echter dat mijn moeder Sacha schoon genoeg van de Zomerdijkstraat had om meerdere onbesproken redenen. Twee jaar later vertrok Maria met Eric en Jeroen naar een ander huis in de Rivierenbuurt. Jan vond soelaas in zijn volkstuin en woonde met Karina in de Zomerdijkstraat tot 1981.

THEO THIJSSEN MONUMENT

Ik zag Jan Wolkers weer in het voorjaar van 2004. Toen werd zijn monument van opstijgende vogels voor Theo Thijssen onthuld op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, dezelfde plek waar hij 24 oktober zal worden herdacht. Toen hij daar met een handgebaar een storende zanderige plek op het glas wegveegde om zodoende het licht de kans te geven helder door het glas te laten schijnen, leek het net alsof ik mijn eigen overleden vader even terugzag. Zo’n handgebaar bij voltooiing zag ik hem ook vaak maken, om daarna het beeld los te laten en het een eigen leven te laten leiden.

Wat achterblijft is de nalatenschap van een generatie. Hoe wordt ze herinnerd? Bij Wolkers gaat het er vlak na zijn dood meteen om of hij bij de grote drie, grote vier hoort of juist die ene grote is. Ik herinner me hem gewoon als de kindervriend Dadi, die kon showen met zijn witte radio. En die zoals mijn vader bij een generatie kunstenaars hoort, die vlak na de oorlog in de jaren vijftig de kop boven water hield en om talloze redenen het kunstenaarsleven niet goed kon verenigen met het gezinsleven in een te kleine, al te gezellige en gehorige atelierwoning in die Amsterdamse Zomerdijkstraat. 

Ontleend aan familieverhalen.

Kinderen Van Beek in Zomerdijkstraat 1955, rechts achter in deuropening Jan Wolkers. Aan muur boeket bloemen ter nagedachtenis aan bewoner Gerrit Jan van der Veen, dat Wolkers beschreef in ‘Turks Fruit’. Foto: Marius van Beek.