Met koorts in bed beleef ik opnieuw de reis door Vietnam. Aanvankelijk durfde ik er niet naar toe, omdat ik bij de naam alleen al aan oorlog dacht. Maar nu was ik er werkelijk geweest en had de oorlog uit m’n hoofd gezet.
O. ging mee. We reisden samen per trein van Ho Chi Minh City (Saigon) naar Da Nang. Het was heet en droog in Saigon geweest, alsof regen niet bestond. Onderweg sijpelde regenwater langs het raam van de treincoupé.
We hadden geen slaapcoupé. De vrouw van Hotel Number One in Saigon, die de tickets regelde, had gezegd dat de stoelen ‘perfect, als vliegtuigstoelen’ waren. De stoelen waren riant voor Vietnamese ‘petite’ maatjes. Maar we konden er onze benen niet kwijt.
De nachttrein denderde door het donker. Zo nu en dan maakte hij flink vaart. Af en toe stopte hij bij een station. In een vaag schijnsel van gelig licht zag je dan bedrijvigheid tussen de eetstalletjes, als in een film.
PYJAMA EN HOED
Kan ik me de gezichten uit de trein herinneren? O ja. Een groot geel gezicht en nieuwsgierige kleine, blauwe ogen. Het gezicht van de kunstenaar. Zo noemden we hem. Dat kwam omdat hij een ingepakt schilderij bij zich had en een pyjama en grijze hoed droeg. In Saigon had ik geen mensen gezien in zo’n (goedzittende) pyjama. Oud was hij en klein, met grijs, sprieterig haar. De kunstenaar verwisselde aldoor van plaats. Af en toe kreeg hij eten of drinken van een oude dame toegestopt.
Bij een stationnetje stapte hij de trein uit. Vanuit het raam zag ik de gedrongen gestalte op de rails staan. Hij keek nog even naar de trein, zocht de blik van de dame, die achterbleef in de coupé. Ik maakte haar attent op het raam. Ze kwam dichterbij en zwaaide naar hem. Ze droeg een mooi, goed zittend pakje, een broek met jasje van dunne stof. Toen het kouder werd, trok ze er een houtje touwtje jas met capuchon over aan. Bijna alle treinreizigers droegen zulke keurige maatkleding van goeie stof, viel me meer en meer op. Dat deftige en ouderwetse, van in je goeie goed reizen, zoals je dat kent uit klassieke verhalen. Hoe bleven ze zo keurig in de vieze trein met de gore wc? Daarbij vergeleken zagen wij er niet uit in onze t-en sweat shirts met slippers. Om maar niet te spreken van de enkele rugzaktoeristen met hun grote sandalen en vormeloze afritsbroeken.
DA NANG
Het was vroeg in de ochtend, toen we Da Nang bereikten. Da Nang. Ik kon niet anders dan de plaats te associëren met de oorlog. De Vietnam oorlog heet hier de Amerikaanse oorlog. In 1965 landde het Amerikaanse leger hier, in deze kustplaats. Vergeet de oorlog. Wie zei dat ook alweer? Het was Malte. Hij zei het meteen op de dag dat ik aankwam. We aten toen met een groot gezelschap in een restaurant, waar ze uitsluitend een ongekende variatie aan paddenstoelen serveerden. De paddenstoelensoeppot op het vuur stond in een gat in de tafel: ‘Het is 30 jaar geleden’, zei hij: ‘De mensen zijn dood.’ Maar niet allemaal. De kunstenaar in de trein niet. De dame ook niet. Da Nang was een slagveld. Nu worden de stranden van Da Nang opgeknapt voor toeristen; de industrie is booming.
Hoe verder? Zodra we het station uitkwamen waren er overal taxichauffeurs: ‘Madame! Taxi? Where you go?’ Ik had het adres van een hotel in het nabijgelegen Hoi An. Daar zouden we M & R ontmoeten. Maar de taxichauffeur wist een goed (beter) hotel voor ons. Hij reed in een oogwenk over modderige glibberwegen naar het Phuoc An Hotel. Daar werden we hartelijk ontvangen. Het hotel was nog vol. Tot 12 uur konden we zolang in een gastpension slapen. Een kefferig wit hondje aan de lijn hield de wacht. O. viel vrijwel meteen in slaap, languit.
MADAME, YOU BUY FROM ME?
Ik ben Hoi An gaan verkennen. Eerst een ATM gezocht, om daar miljoenen = Dong uit te halen, lappen papiergeld. Overal waren kleermakerszaken. Overal stonden paspoppen met maatjasjes voor winkels geëtaleerd. Ik hoor smekende stemmen van verkopers: ‘Madame, buy from me, madame, you like your jacket made? I make clothes for you. Very cheap, madame.’ Zou ik zo’n jasje laten maken? Zo’n mooie capuchonjas, die de vrouw in de trein droeg? Het C & A regenjasje van me was eigenlijk al zo oud en koud…Het ‘madame!’ bleef aanhouden. Een zeurderig, aanhoudend gejank, smekend. Ik wees het aldoor glimlachend af. ‘Madame’ wilde alleen maar kijken.
De pas versnellend op m’n slippers, stootte ik me aan een steen. Een teen begon te bloeden. Ik liep naar het kleurrijke winkeltje van ‘Cloth Shop and Tailor 55’, 55 Tran Phu en wees naar de teen. Het dochtertje van de naaister nam me mee naar achteren, naar een keukentje en plaatsje. Het zag er primitief uit. Ze wees op een krukje bij een gootje en naar een emmer met schep om om m’n voet te wassen. De hele familie kwam in actie. De broer van de naaister haalde jodium en een gaasje. Maar deze gaf hij mij niet rechtstreeks, maar via de moeder van de naaister. Nu moest ik wel kopen bij de naaister. Ik koos twee bloesjes. Maar dat was niet genoeg. De naaister wilde ook meteen een capuchon winterjas voor me op maat maken. Maar ik had geen zin, niet nu passen en meten. Ik vond de weg terug naar het hotel. O. sliep.
HUÉ
De reis vervolgde naar Hué. We hadden een grote hotelkamer met ventilator in het Ngog Hung Hotel. We gebruikten de fan om onze natte kleren te drogen.
Hué…het is weer zo’n naam van een stad uit de oorlog. De keizerlijke paleizen in de verboden stad worden nu opgeknapt. Hier en daar is dat nog niet gebeurd. Je ziet daar schietgaten in de ruïnes. Het werkt op je verbeelding. Alsof de strijd zich gisteren heeft afgespeeld. Zoals je vroeger ook in de omgeving van Arnhem zag, de resten van de Slag om Arnhem. Daar begon het, de associatie met oorlog.
In de keizerlijke vijver drommen duizenden enorme vissen. Je kan een zakje voer kopen en ze voeren. Ze spannen samen in een waterballet, golvend en happend naar eten, de bekken opengesperd, een klein orkaantje veroorzakend. O. wordt weer het kleine jongetje van vroeger als hij dit tafereel ziet.
De straatverkoper langs de brug heeft munten, helmen, veldflessen, Zippo aanstekers, opiumpotjes, militaire naamplaatjes, dogtags te koop. Hij heeft daar als ‘t ware zijn eigen museum, zegt O. Die dogtags zagen we voor het eerst in de souvenirshop van het Museum of the City in Saigon. We vonden dat morbide. Ook al is de oorlog 30 jaar geleden, toch gebeurt het weer. Zie ik een man op straat met één been, denk ik aan oorlog. Zie ik een lachende man liggen op straat met één loshangend stukje been denk ik aan de man met de kop zonder romp in ‘Freaks’.
De straatverkoper in Hué vertelde dat zijn vader twee jaar gevangen zat. Hij was gevangen genomen door de Zuidvietnamezen. Na de oorlog was hij de jungle ingegaan. Om voorwerpen te zoeken. Hij zou een hele verzameling originele Zippo aanstekers hebben en ze de volgende dag meenemen. Maar toen we weer kwamen zei hij: ‘Sorry, sorry’. Zijn broer was naar Hanoï vertrokken met de waar.
SAIGON
Er was markt in Saigon. Ik zag vissen snakkend happen in bakken met een beetje water. Ze zouden gehakt worden voor de soep. Ik zag vrouwen met hakmessen op botten vlees inhakken. Levers en andere onderdelen dreven in emmers met water. ‘It smells of blood.’ Voor het eerst hoorde ik een Amerikaanse stem in Saigon. Waarom juist die zin. Ik keek op en zag twee Amerikaanse mannen. Misschien waren ze 40. Ze droegen halve broeken met grote sandalen. Ze troonden boven de ranke, kleine Vietnamezen uit.
Op straat wordt heel wat afgesjouwd met emmers, pannen, bakjes eten. Ik zie stapels eieren op straat, als Dali schilderijen. Temidden van het verkeer zitten mensen te eten, eten en nog eens eten op peuterstoeltjes en krukjes. Ze prikken met stokjes, slurpen soep. Het lijkt een cultuur van sjouwen en eten. Zo rank en verfijnd de kleding, zo grof is de taal en het verorberen van eten. En zo chaotisch is het verkeer…Iemand wees me eens op een lange rij doorlopende mieren als een natuurlijke verkeersweg. Het aanbrengen van markeringen is onnatuurlijk, beweerde hij. Ja natuurlijk, als iedereen zou lopen, of fietsen…
GEESTEN VAN NIEUW TIJDPERK
Maar nu vervoeren mensen zich op dezelfde manier in grote getale op scooters en brommers met fancy helmen op en dat gaat niet zonder ongelukken. Bovendien gaat alles, ja alles! mee op de brommer: hele gezinnen, dozen, pakken, oogsten. Kan het méér zijn? De scooter lijkt bijna zo heilig als de schildpad. Ze racen zonder stoppen met lappen voor hun mond als geesten en spoken van het nieuwe tijdperk.
Er is GSM, ATM, er is Internet, maar geen Engelse taal. We zijn verbaasd. We kijken ongelovig naar het ongeorganiseerde, het chaotische. Overal. Naar elektriciteitsdraden, die als zwarte dikke spinnenwebben door de lucht lopen en ooit topzwaar zullen zakken. Als droge bomen die kraken onder teveel last. Er is iets anders te doen, voortjakkeren naar, naar wat?
Iedere dag begint opnieuw met het starten van de scooter. Sexy zijn ze op de scooter, zo ’s avonds. Alsof alle seksuele beleving daarop plaatsvindt. De scooter is ook hangmat; een man ligt uitgeteld op zijn scotter, wachtend op de volgende klus.
Op straat een wirwar van mensen die zich laten fotograferen voor het kerstgebeuren, massaal.
En temidden van de chaos is er ineens stilte bij de tempel: Ik zie een man voor de tempel staan, de handen samen en wensen en verlangen. Naar wat? Wat weet je van de ziel? Ik wou dat ik het wist.
Wat weet ik? Ben al blij dat ik heb uitgevonden dat Nguyen Du een schrijver en dichter is. Nu kan ik tenminste de naam van de straat onthouden, die naar hem is vernoemd. Ons Hotel Number One in Saigon lag aan die straat. Hij leefde in de 18e eeuw en schreef ‘The Tale of Kieu’. Dit is een episch gedicht, bestaande uit 3254 verzen over het leven van Thuy Kieu, een jonge vrouw, die zichzelf voor haar gezin opoffert.
Ik ben er achtergekomen via het dagboek van Dang Thuy Tram. Haar oorlogsdagboek wordt vergeleken met het dagboek van Anne Frank. Zij citeert de dichter: ‘When one is sad, the scenery cannot be cheery’. Ik ben bedroefd. Het landschap kan me niet bekoren.
BUS NAAR HANOI
De zon scheen bleekjes in de ochtend en de zon wasemde de stad uit van de regen. Van het vocht in de straatjes en op de balkons, in onze kleren, het weinige dat we bij ons hebben. We kwamen uit Hué met de nachtbus. We hadden in de bus geslapen op kleine bedjes van Vietnamees formaat in rijen van drie. Ongekreukt kwam de Vietnamese jongen naast me er ’s ochtends vroeg uit tevoorschijn. Zijn zwarte haar zat alsof hij net van de kapper kwam. Terwijl ik geheel gekreukt en gedeukt was. Zo’n kleuterbedje is niet voor een Hollander gemaakt. Het was fijn, avontuurlijk om in die rijdende bus te liggen, met O. vòòr me in de rij. Het lukte zelfs nog om wat te slapen. We maakten een tussenstop bij een wegrestaurant. Er was een wc op een binnenplaats. Een natte, gore voetstap wc. Ik verlangde een ogenblik naar huis.
Er was een voetbalwedstrijd aan de gang op tv tussen Vietnam en Thailand; terwijl we alweer onderweg waren scoorde het Vietnamese team. Het schijnt dat de Vietnamese steden daarna op hun kop stonden met juichende mensen en rode vlaggen. Wij hebben daar in de bus helemaal niets van gemerkt.
In het ochtendgloren tekenden de silhouetten zich af. Zo snel als het avond wordt en pikdonker, zo snel komt het licht van de ochtend. Schoolkinderen fietsen in blauw witte jasjes in rijen over de modderwegen, terwijl de bus luid toeterend rakelings langs ze heen schiet. Moeders met kinderen achterop de fiets zonder stoeltjes of stepjes, hangend tegen de moeder aan, zwenkend in de modder langs vrachtwagens en bussen. Ik gruwel van de onverschilligheid voor elkaar in het verkeer, de onverschilligheid voor moeders met kinderen. Ik wou dat ik kon ingrijpen.
Vietnamese meisjes zitten onberispelijk op de scooters, met kleine schoentjes met hakjes als van Barbie popjes. Ze blijven schoon, zonder spatje modder.
We zijn in Hanoi. In het gezellige pension van het gezin van reisbureau Vietnam à la Carte. We hebben een kamer met balkon. Op het balkon hoor je taxi’s en brommertjes onophoudelijk op de achtergrond toeteren, als de muziek van Vietnam. De was hangt overal te drogen onder de veranda’s en daken en blijft klef, halfnat.
Ik ben belaagd op straat door studenten met boeken, een straatverkoopster met fruit, schoenmakers, die m’n schoenen plakten en een t-shirt verkoopster. Allemaal tegelijk. En toen ik me los geworsteld had en verbouwereerd verderop in een parkje zat, kwam de t-shirt verkoopster toch nog een keer op me af. En daarna weer een student met boeken. Volhouders zijn het. Ze passen zich aan, mopperen of klagen niet, maar lachen. Ik liep vervolgens de verkeerde kant op en passeerde de armste woninkjes en bedrijfjes. Ik zag ladingen oude fietsbanden, oud karton, een kind dat op straat pieste. Ik was verdwaald.
NIEUWJAARSPARTY
In de avond liepen we met z’n allen op straat. We waren op weg naar het nieuwjaarsfeestje bij Ellen en Rob, vrienden van M & R. Rob is bosbouwer en werkt bij SNV. Ze werken in de armste Vietnamese provincies. Een innovatief project is de productie van schone olie voor dieselmotors uit de noot van de Jatrofa plant. De Jatrofaplant groeit goed op Vietnamese bodem. Er zijn al heel wat planten uitgezet op het land. Het betekent meer werk, meer inkomen en een schoner milieu.
Op het feestje was Cees met zijn (geadopteerde) familie de spil. Cees, van reisbureau Vietnam à la Carte. Hij woont al zo’n acht jaar in Vietnam. Met Cees maakten we met nog twee Nederlandse toeristen de volgende dag een wandeling langs de Rode Rivier. We doorwaadden de Rode Rivier om uit te komen op de landjes, waar bewoners groente en fruit verbouwen. Ze wonen in primitieve hutten. Bij overstroming van de rivier bouwen ze de hutten ergens anders weer op. Cees zegt dat die oppak geen enkel probleem voor ze vormt. De mensen zijn hier zo. De wandeling langs de Rode Rivier is mooi. Het doet me denken aan de Rijnoever, de tochten langs de rivier Rijn.
GELUKSVLINDER VAN 2009
De ervaring van de reis was als een wolk. Mijn kop leek erin gehuld. Iedere keer werd ik daar wakker uit een diepe slaap. Ik wist niet waar ik was. Waarom? Welke indruk maakten de heilige Boeddha beelden? Ik zou en moest iedere keer de starende blik van Boeddha op me in laten werken. Ik wou dat er een antwoord kwam op een vraag. Ik zocht een teken van aanwezigheid, naar een symbool. Er kwam een vlinder voorbij in Hanoi. Geel, wit, rood met zwart gevlekt. Het gebeurde bij de tempel van de literatuur. Hij dwarrelde langs me en ik volgde hem. Een Amerikaanse toerist kreeg hem ook in de gaten. Hij riep: ‘I’m going to grab him!’ Zijn partner: ‘Oh no, you don’t!’ Gelukkig. Ineens was de vlinder verdwenen. Hij verschool zich achter de rug van een man, die met een kind op een bankje zat. De man zat voorovergebogen. Ik wees het kind op de vlinder. Hij was niet verrast. De man bewoog eerst niet, maar stond toen op. ‘Good luck!’ zei ik en wees op de vlinder.
De vlinder bleef zitten met de vleugels samen en ik maakte een opname. Een grote vlinder, dwarrelend door de grote stad, neerstrijkend in de betrekkelijke stilte in de tuin van de eeuwenoude school. Ik wou dat de vlinder geluk bracht.
Wanneer werd ik wakker uit de roes? Op de luchthaven. Ik was er geweest, in Vietnam. Had gezien dat alles anders was dan ik had gedacht. Nu zou ik nog altijd terug kunnen gaan. Engelse les geven. Alles zou veranderen. Op de luchthaven was alles weer hetzelfde, opgegaan in een eenheidssmaak van merknamen. In Amsterdam was het koud en donker. M & R waren er al. We dronken een kopje koffie op Schiphol. Het was leeg in de tram. Er waren geen straatverkopers op de Rooseveltlaan, er klonk geen ‘madame!’