Skip to content

I.M. Jan Wolkers (1925-2007)

En dan is hij er niet meer, Dadi (Daddy), zoals hij vroeger door ons - buurtkinderen in de Zomerdijkstraat - werd genoemd. Hij zal me niet meer meer toespreken alsof ik nog steeds dat mollige peutertje zou zijn voor wie hij – als in het tv programma over zijn achtertuin – varkentjes van eikels maakte. Wat overblijft is een letter. Hij zei: 'je kon de r van 'varken' niet zeggen, hè?'

Deze anekdote dateert tussen 1952 en 1958, toen Jan Wolkers onze buurman was in de atelierwoningen in de Zomerdijkstraat. In die periode speelden zich allerlei grote en kleine drama’s af tussen de bewoners, de kunstenaarsechtparen en hun vele kinderen, de baby boom generatie (waar ik nog net bij hoor).

Toen de architecten Zanstra, Giessen & Sijmons rond 1930 de atelierwoningen ontworpen als innovatief project, konden ze niet voorzien dat de gezinnen zich zo zouden uitbreiden dat ze uit de flatjes met aansluitende ateliers zouden barsten. En dat dit stalen gebouw dan nog gehoriger zou zijn. Zo hadden m'n broer Michaël en buurjongen Eric Wolkers ontdekt dat ze met elkaar konden praten bij de afvoer van de wastafels in de aangrenzende slaapkamers van nr. 22 en 24.

Wolkers woonde sinds 1950 met zijn jonge gezin op nr. 22, de voormalige atelierwoning van beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen. Als aandenken aan die moedige verzetsstrijder was er een plaquette op de buitenmuur. Op 4 mei werd daar een fris boeket bloemen aan een spijker opgehangen. Jan haatte die bloemen, zoals hij beschrijft in Turks Fruit. Het boeket hing er gaandeweg dor, droog bij. Het is te zien in de achtergrond op de foto die mijn vader van ons maakte in het voortuintje ter gelegenheid van de eerste communie van mijn zusje Tinka. Op de achtergrond staat Jan vaag dit Roomse tafereel te aanschouwen. Boven de brievenbusjes het boeket als zielig aandenken.

Wolkers' witte radio Jan was beeldhouwer, nog geen schrijver, niet beroemd. Ik zag hem niet in zijn atelier werken. In m'n herinnering was het er vrijwel leeg toen hij de buurtkinderen uitnodigde om naar zijn nieuwe radio te komen kijken. Een witte radio was bijzonder. Uit het pronkstuk kwam geen geluid, althans ik hoorde het niet. Hij heeft die altijd gehouden: 'Hij is een beetje geel geworden, hè?' reageerde hij met de kenmerkende stem waar altijd hè? achteraan kwam.

De huur van de (beeldhouwers) atelierwoningen was 75 gulden. Dat was destijds veel voor een kunstenaar. Er woonden ook niet-kunstenaars in het gebouw. En als de kunstenaars niet van de kunst konden leven, hadden ze er een baan bij. De meeste vaders waren uithuizig, altijd druk. Zoals mijn vader, die je eigenlijk niet zag. Als een snel voortdrijvende wolk van energie liep hij het huis in en uit.

De buurtkinderen waren vaak aan hun lot overgelaten, hadden wel ruzies op straat. Zo gingen de jongens van Zomer- en Kinderdijkstraat elkaar te lijf met rozentakken en brandnetels. Het gebied van 'de landjes' rondom de te bouwen of net gebouwde Utrechtsebrug was een prachtig speelterrein.

Peter en de wolf Jan, de kindervriend, had wel meer tijd: Zo leerde hij mijn zusjes fietsen op een gehuurd fietsje. Ook draaide hij de plaat van Peter en de Wolf in z'n atelier, gaf buurtkinderen opdracht dieren uit te beelden, schaterlachte om hun pantomime. Hij nam zijn oudste zoon Eric en mijn zusje Clara mee naar de bioscoop. Niet naar een kinderfilm, maar de Amerikaanse The Grapes of Wrath uit 1940 van John Ford met Henry Fonda. Hoewel de kinderen er niets van begrepen, waren ze onderdak en hield hij er een fijne middag aan over. De kinderen werden ook bij de buren in hun ateliers ingezet om te poseren. Zoals Eric, die zo lang naakt moest staan voor Jans beeldje De Jongen met de Haan (opdracht voor Sloterdijk school) dat hij er een blaasontsteking aan overhield.

Maria Wolkers-de Ro, Jans vrouw, was apothekersassistente. Buurman Theo Swagemakers schilderde haar portret (in 2003 op een tentoonstelling van Zomerdijkstraat-kunst te zien). Maria was mooi. Mijn moeder sprak over haar als ‘de arme Maria’, nadat het grote drama zich had voltrokken met het dochtertje Eva, dat levend verbrandde door het hete water in de wasbak. De watertemperatuur kon plotseling wisselen van koud naar heet. Daar werd je als kind constant voor gewaarschuwd. Zo klein als ik was, weet ik dat de simpele vraag die ik aan mijn moeder stelde: 'Kan je ook warm water drinken?' een vreemde stilte ontlokte. Tot ze eindelijk antwoord gaf: ‘Ja. Waarom vraag je dat? Gek kind.’

Stoere Amerikaan Jan vond het gammele Eendje van zijn buurman maar niks (hìj had later zelf een stoere Amerikaanse wagen), maar mijn vader trok zich daar niks van aan. Zelfs na een auto ongeluk waarbij hij zijn been brak, had hij daarna toch weer net zo’n Citroën. Speels hobbelde de Eend over de grachten als we op zondag met z’n allen achterin naar ’Onze Lieve Heer op Solder’ reden.

Vijf jaar was ik toen we in 1958 naar de provincie verhuisden. Dit gebeurde onder het mom dat het ‘zo goed’ was voor de kinderen meer ruimte, frisse lucht te krijgen. Het schijnt dat m'n moeder Sacha schoon genoeg had van de Zomerdijkstraat om meerdere onbesproken redenen. Twee jaar later vertrok Maria met Eric en Jeroen naar een ander huis in de Rivierenbuurt. Jan vond soelaas in zijn volkstuin en woonde met Karina nog in de Zomerdijkstraat tot 1981.

Theo Thijssen monument Ik zag Jan Wolkers pas weer in het voorjaar van 2004. Tijdens de onthulling van zijn monument van opstijgende vogels voor Theo Thijssen op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, dezelfde plek waar hij 24 oktober zal worden herdacht. Toen hij met een handgebaar een storende zanderige plek op het glas wegveegde om het licht de kans te geven helder door het glas te laten schijnen, leek het net alsof ik mijn eigen vader even terugzag. Zo’n handgebaar bij voltooiing zag ik hem ook vaak maken. Om daarna het beeld los te laten en het een eigen leven te laten leiden.

Wat blijft is de nalatenschap van een generatie. Hoe wordt ze herinnerd? Bij Wolkers gaat het er na zijn dood meteen om of hij hoort bij de grote drie, grote vier (schrijvers) of de ene grote is. Ik herinner me hem als de kindervriend Dadi, die showde met zijn witte radio. En die, zoals mijn vader bij een generatie kunstenaars hoort die vlak na de oorlog in de jaren vijftig de kop boven water hield. En om talloze redenen het kunstenaarsleven niet goed kon verenigen met het gezinsleven in een te kleine, al te gezellige, gehorige atelierwoning in die Amsterdamse Zomerdijkstraat.

Ontleend aan familieverhalen