Skip to content

columns

Op welk moment schiet je eigenlijk vol bij het kijken naar een filmscène, waar zit het? Tijdens het kijken naar Bikkel vroeg ik me dat af. Het gebeurt in een ogenblik...

In de bioscoop kijk ik naar een scène van vluchtende mensen uit het ghetto van Warschau ten tijde van W.O. 2 in de film Schindler’s List van Steven Spielberg. Een zwart wit film. Ineens wordt de aandacht naar de kleur rood toegetrokken, naar een vluchtend meisje in een ingekleurd rood jasje. Door de kleur lijkt het alsof je naar het heden toegetrokken wordt. Het meisje doet me denken aan een meisje dat ik ken. Ineens voel ik me actief betrokken; zou het kind willen mee trekken naar een veilige plek. Maar zit ondertussen onbeholpen in de bioscoopstoel. Dan schiet ik vol, treurend over het ongeluk dat het kind te wachten staat, apathisch niks te kunnen doen.

Hannah and her sisters van Woody Allen. Een scène tussen geliefden in een atelier. Er wordt geen woord gesproken tussen de twee mensen. Het is een onmogelijke liefde. De onmogelijkheid maakt me apathisch, er gaat een golf emotie door me heen.

La Vita è bella, tragi comedy van Roberto Benigni. Over hoe een vader zijn kind beschermt in een concentratiekamp. Aan deze ellendige situatie is helemaal niets te doen, het zal slecht aflopen. Wat kan je als vader meer doen voor het kind dan de omringende wereld anders, mooier, grappiger voor te spiegelen dan die is? Met als gevolg dat ik moest huilen, hoezeer ik er ook tegen vocht. Onmacht.

Bikkel van Leo de Boer is een documentaire over het korte leven van Bart de Graaff, alias Bikkel, oprichter van BNN. Een zogenoemd ‘intieme’ film. Je ziet zijn moeder, zusje en vader. Ze vertellen over hem. Ze luisteren en reageren op beeld en geluidsfragmenten van Bart. Hij vertelt over zijn ziekte, leven en familie.

Kermis en variéte Zo vertelt Bart hoe hij ten gevolge van een nierziekte op jonge leeftijd overgeleverd was aan artsen, onderzoeken, operaties, medicijnen, diëten. En zich opwerkte tot een grote clown die gewaardeerd werd om zijn directe stijl, moed, brutaliteit. Hij zag het leven als een momentopname, waarin hij alles wilde doen wat maar mogelijk was. Iedere minuut telde. Dit gaat over een circusartiest, man van kermis en variété. Voor wie angst en avontuur moest worden ingehaald na zoveel jaren in ziekenhuizen te hebben versleten. Voor wie een vroeg einde kwam aan zijn leven. Zijn moeder en zusje hebben hem altijd beschermd, een veilig leven willen geven en dat is nu afgelopen. Zoveel jaar na zijn dood koestert zijn moeder zijn kamer met memorabilia en denkt zijn zus nog dagelijks aan hem. Al was het maar omdat ze haar zoontje Bikkel heeft genoemd. De moeder heeft tranen in de ogen, de zus breekt. Ik zit er naar te kijken, voel medeleven, maar huil niet. De film is wellicht bedoeld als tearjerker, maar tranen blijven uit.

Het is documentaire, dus ‘echt’. Er is een archiefopname van Bart, die weer in het ziekenhuis ligt en breekt. Beschamend vind ik het hiernaar te moeten kijken. Er wordt iets opgedrongen; de eenzame moeder, een rottige scheiding van ouders, het sterke zusje, de mooie vriendin. Wat heb ik met privé zaken te maken?

Bart is op z’n best als hij stil iedere minuut van zijn bestaan vastlegt door mooie plaatjes te tekenen. En wanneer hij zichzelf lanceert met de groten der aarden voor BNN. Wanneer de kleine man met een handicap zich groot blijft voordoen is er de emotie.

http://www.youtube.com/watch?v=HqwuTU4VPI0
 S. van Beek en L. Mijnlieff in gesprek over emoties na de film

We worden ouder. Hè, wat flauw. Hoezo? Dat dacht ik tijdens de Italiaanse avond 27 februari in het Filmmuseum, een hommage aan de vorig jaar overleden filmregisseur Michelangelo Antonioni. De Franse actrice Maria Schneider was er bij om Antonioni weer even tot leven te brengen met de opnieuw uitgebrachte film Professione: Reporter. In die film acteert zij en is haar schoonheid ook blijven leven. In 1975 vond ik er geen klap aan. Na zoveel jaar is m'n oordeel bescheidener: mooi van sfeer, nog steeds onbegrijpelijk. Maria Schneider, zwarte bos haar, witte broek, marine jasje, staat voorin de zaal. Ze was meen ik ontdekt door Brigitte Bardot, maakte haar opvallende debuut in Last Tango in Paris (1972) met Marlon Brando.

Ja, ze is dus ouder geworden. Voorbij is het lieve gezichtje, de donkere ogen met zwarte wimpers, vrijwel zonder make-up. De haast onverschillige, zwoel kijkende blik en dan ineens een voorzichtig lachje. Wat was die uitstraling? Iets mannelijks, slordigs, onaantastbaars. Zwervend, nonchalant en toch diepzinnig.
Daar loopt ‘La Schneider' in lange wijde rok, banen bloemetjesstof, espadrilles in de film, in het Engels getiteld ‘The Passenger’. Betere titel. Eigenlijk een hele mooie scène aan het einde, als ze weggestuurd is door haar leading man. Dit is Jack Nicholson, een tv reporter, die het schijnbaar lege leven opvult van een zakenman. Deze blijkt in wapens te dealen voor de guerrilla in niet nader genoemd Afrikaans land.
We zien Schneider door het raam van de hotelkamer buiten doelloos rondlopen op een pleintje. Zal ze weglopen, wachten? Enkele auto’s rijden af en aan. Ze lijkt te weten of niet te weten dat de man die zij tijdens haar zwerfleven heeft ontmoet, vermoord zal worden. Zij slentert rond in een eindeloos durende scène. Het zal de bedoeling zijn, want dit doen personages vaker in Antonioni’s films.
Jack Nicholson die de filmrechten had gekocht, hield de vertoning 25 jaar lang tegen. Sandra den Hamer, Filmmuseum directeur, vraagt Schneider hier naar. Nicholson zou de kunst van Antonioni hebben willen behouden. Of was er soms meer aan de hand?
Geen sterallures Na de film, tijdens de overdadige receptie van het Instituto Italiano di Cultura, krijg ik de kans even met Schneider te praten. Ze heeft geen sterallures. Het lieve smoeltje, lachje dat ze voor Nicholson toonde in de film is verdwenen. Nu is Nicholson de klootzak; hij is de enige die geld aan de film overhoudt, zij en Antonioni ontvingen niks. Ze had ook kunnen zeggen: Antonioni en ik zijn zo stom geweest dat we de rechten niet hebben geregeld. Maar nu is ze een doorgewinterde vrouw: Nicholson was altijd al een ‘asshole’. Hoe kon ze dan zò lief tegen hem lachen? ‘Omdat ik zo’n goede actrice ben!’ roept ze uit. Haar lach klinkt satanisch. Eigenlijk net als Nicholson’s satanische lach (die hij niet toont in The Passenger).
Ze heeft in zo’n 30 films gespeeld. Beroemde regisseurs wilden haar destijds in hun film, onder wie Luis Bunuel. Na drie opnamedagen van Cet obscur objet du désir ontsloeg hij haar; als heroïneverslaafde was ze niet in staat de rol te spelen.
Maria zegt dat The Passenger haar lievelingsfilm is. Waarom? ‘Omdat ik destijds ook zo’n zwervend bestaan leidde. De rol was op me geschreven’…
Ik vertel haar niet, dat toen Last Tango in Paris in de bioscopen draaide, mensen vonden dat ik op haar leek. Het ging zover, dat Férenc Kàlmàn Gall van productiebedrijf Cineteam, waar ik als stagiaire werkte op me afkwam: ‘Ik heb je zien lopen, ik heb je zien dansen!’ Dat vond ik wel vreemd, want zag de gelijkenis niet. Zeker niet toen ik Schneider in levende lijve ontmoette in een geluidsstudio. Ze was met Monique van de Ven dialogen aan het inspreken voor Een Vrouw als Eva. Als biseksueel was ze op de rol gecast.
Nadat Schneider haar gram had geuit over Nicholson, stelde ze me voor aan haar ‘new Italian friend’ en raakte verder met hem in gesprek.
Toen ik de volgende dag in Het Parool een foto van haar zag met een huid van craquelé, schrok ik. Oei, wat pijnlijk. Deze foto beslist niet de meest flatteuze. In het interview blijkt ze ook geen goed woord over te hebben voor Bertolucci, die haar regisseerde in Last Tango in Paris. En de rol die ze speelde was eigenlijk bedoeld voor een man ook nog…
Tsja, we worden ouder. Flauw is het wel. Maar toch niet bitter?

En dan is hij er ineens niet meer, Dadi (Daddy), zoals hij vroeger door ons buurtkinderen van de Zomerdijkstraat genoemd werd. En zal hij je nooit meer vertederend toespreken alsof je nog steeds dat mollige peutertje bent voor wie hij – als in het tv programma over zijn achtertuin – varkentjes van eikels maakte. Zelfs op z'n tachtigste herinnerde hij zich dat je de r niet kon zeggen in het woord varken.

Deze anekdote dateert tussen 1952 en 1958, toen Jan Wolkers onze buurman was in de atelierwoningen in de Zomerdijkstraat. In die periode speelden zich allerlei grote en kleine drama’s af tussen de bewoners, de kunstenaarsechtparen en hun vele kinderen van de baby boom generatie, waar ik nog net bij hoor.

Toen de architecten Zanstra, Giessen & Sijmons rond 1930 de atelierwoningen ontworpen als innovatief project, konden ze niet voorzien dat de gezinnen zich zo zouden uitbreiden dat ze uit de flatjes met aansluitende ateliers zouden barsten. En dat dit stalen gebouw dan nog gehoriger zou zijn. Zo hadden m'n broer Michaël en buurjongen Eric Wolkers ontdekt dat ze met elkaar konden praten bij de afvoer van de wastafels in de aangrenzende slaapkamers van nr. 22 en 24.

Wolkers woonde sinds 1950 met zijn jonge gezin op nr. 22, de voormalige atelierwoning van beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen. Als aandenken aan de moedige verzetsstrijder die in de oorlog is doodgeschoten, was er een plaquette op de buitenmuur. Ieder jaar bij Dodenherdenking werd daar een fris boeket bloemen aan een spijker opgehangen. Jan haatte die bloemen, zoals hij beschrijft in Turks Fruit. Het boeket hing er gaandeweg dor, droog bij. Dat is te zien in de achtergrond op de foto die m'n vader maakte van de familie in het voortuintje ter gelegenheid van de Eerste Communie van mijn zusje Tinka. Op de achtergrond staat Jan vaag dit Roomse tafereel te aanschouwen. Naast hem het verlepte boeket als zielig aandenken.

Wolkers' witte radio Jan was beeldhouwer, nog geen schrijver, niet beroemd. Ik zag hem niet in zijn atelier werken. In m'n herinnering was het er vrijwel leeg toen hij de buurtkinderen uitnodigde om naar zijn nieuwe radio te komen kijken. Een witte radio was bijzonder. Uit het pronkstuk kwam geen geluid, althans ik hoorde het niet. Hij heeft die radio altijd gehouden: 'Hij is een beetje geel geworden, hè?' reageerde hij met de zo kenmerkende stem waar altijd hè? achteraan kwam.

De huur van de (beeldhouwers) atelierwoningen was 75 gulden. Dat was destijds veel, zeker voor een kunstenaar. Er woonden dan ook niet-kunstenaars in het gebouw. En als de kunstenaars niet van de kunst konden leven, hadden ze er een baan bij. De meeste vaders waren uithuizig en altijd druk. Zoals mijn vader, die je eigenlijk niet zag, maar aanwezig was als een snel voortdrijvende wolk van energie het huis in- en uitlopend.

De buurtkinderen waren vaak aan hun lot overgelaten, hadden wel ruzies op straat. Zo gingen de jongens van Zomerdijk- en Kinderdijkstraat elkaar te lijf met rozentakken en brandnetels. Het gebied van 'de landjes' rondom de te bouwen of net gebouwde Utrechtsebrug was een prachtig speelterrein.

Peter en de wolf Jan, de kindervriend, had wel eens meer tijd: Zo leerde hij mijn zusjes fietsen op een gehuurd fietsje. Ook draaide hij de plaat van Peter en de Wolf in z'n atelier, gaf buurtkinderen opdracht dieren uit te beelden, schaterlachte om hun pantomime. Hij nam z'n oudste zoon Eric en m'n zusje Clara mee naar de bioscoop. Niet naar een kinderfilm, maar de Amerikaanse film The Grapes of Wrath uit 1940 van John Ford met Henry Fonda. Hoewel de kinderen er niets van begrepen, waren ze onderdak en hield hij er een fijne middag aan over. De kinderen werden ook bij de buren in hun ateliers ingezet om te poseren. Zoals Eric, die zo lang naakt moest staan voor Jan’s beeldje De Jongen met de Haan (opdracht voor Sloterdijk school) dat hij er een blaasontsteking aan overhield.

Maria Wolkers-de Ro, Jans eerste vrouw, was apothekersassistente. Buurman Theo Swagemakers schilderde haar portret (in 2003 op een tentoonstelling van Zomerdijkstraat-kunst). Maria was mooi. Mijn moeder sprak over haar als ‘de arme Maria’ nadat het grote drama zich had voltrokken met het dochtertje Eva, dat levend verbrandde in de wasbak als het bad. De watertemperatuur kon plotseling wisselen van koud naar heet. Daar werd je als kind constant voor gewaarschuwd. Zo klein als ik was, weet ik nog goed dat de simpele vraag die ik aan mijn moeder stelde: 'Kan je ook warm water drinken?' een vreemde stilte ontlokte, tot ze eindelijk antwoord gaf: ‘Ja. Waarom vraag je dat? Gek kind.’

Stoere Amerikaan Jan vond het gammele Eendje van zijn buurman maar niks (hìj had later zelf een stoere Amerikaanse wagen), maar mijn vader trok zich daar niks van aan. Zelfs na een auto ongeluk waarbij hij zijn been brak, had hij daarna toch weer net zo’n Citroën. Speels hobbelde de Eend over de grachten als we op zondag met z’n allen achterin naar ’Onze Lieve Heer op Solder’ reden.

Vijf jaar was ik toen we in 1958 naar de provincie verhuisden. Dit gebeurde onder het mom dat het ‘zo goed’ was voor de kinderen meer ruimte, frisse lucht te krijgen. Het schijnt dat m'n moeder Sacha schoon genoeg had van de Zomerdijkstraat om meerdere onbesproken redenen. Twee jaar later vertrok Maria met Eric en Jeroen naar een ander huis in de Rivierenbuurt. Jan vond soelaas in zijn volkstuin en woonde met Karina in de Zomerdijkstraat tot 1981.

Theo Thijssen monument Ik zag Jan Wolkers weer in het voorjaar van 2004. Tijdens de onthulling van zijn monument van opstijgende vogels voor Theo Thijssen op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, dezelfde plek waar hij 24 oktober zal worden herdacht. Toen hij daar met een handgebaar een storende zanderige plek op het glas wegveegde om zodoende het licht de kans te geven helder door het glas te laten schijnen, leek het net alsof ik mijn eigen vader even terugzag. Zo’n handgebaar bij voltooiing zag ik m'n vader ook vaak maken, om daarna het beeld los te laten en het een eigen leven te laten leiden.

Wat blijft is de nalatenschap van een generatie. Hoe wordt ze herinnerd? Bij Wolkers gaat het er na zijn dood meteen om of hij hoort bij de grote drie, grote vier (schrijvers) of de ene grote is. Ik herinner me hem gewoon als de kindervriend Dadi, die kon showen met zijn witte radio. En die, zoals mijn vader bij een generatie kunstenaars hoort die vlak na de oorlog in de jaren vijftig de kop boven water hield en om talloze redenen het kunstenaarsleven niet goed kon verenigen met het gezinsleven in een te kleine, al te gezellige, gehorige atelierwoning in de Amsterdamse Zomerdijkstraat.

Ontleend aan familieverhalen

Kinderen Van Beek. Zomerdijkstraat 1955, rechts achter in deuropening Jan Wolkers. Aan muur boeket bloemen ter nagedachtenis aan bewoner Gerrit Jan van der Veen, dat W. beschreef in ‘Turks Fruit’.

Sommige beelden betekenen meer dan zomaar een plaatje. Wat was er te zien in Tbilisi en Gori in de zomer van 2007?

Enkele jaren geleden is het oeroude, vaak bezette Tbilisi geteisterd door een aardbeving. Nu wordt de stad energiek opgebouwd. Er wordt weinig Engels gesproken, je moet je met je handen en enkele woorden zien te redden. Een Nederlander hoeft maar ‘Holland’ te zeggen en hoort enthousiast ‘Sandra!’ Sandra Roelofs uit Terneuzen is de populaire first lady. Ze doet veel voor dit land.

Bovenop de berg staat een gigantisch wit beeld van een vrouw met zwaard. ‘Moeder Georgië’, vertelt de Georgische jongen die ons gidst naar Hotel Kala in de Bethlehem kucha. 's Avonds wordt Moeder Georgië wit verlicht. Door het licht en de schaduw die op haar valt lijkt ze een strak, streng spook. Ze heft haar arm niet omhoog als het Vrijheidsbeeld, maar naar beneden. De lamp is haar zwaard.

Nabij Tbilisi in het stadje Gori, groeit wild, hoog gras in het park rondom het Stalin Museum. Zwerfhonden in het park worden weggejaagd door een schoonmaker, ze verdwijnen jankend uit het park. Alsof het geregisseerd is, lopen ze in rij naar het busstation. Verjaagd, verlaten zwerven ze hongerig rond.

Het houten huisje, waar Stalin in 1879 is geboren als Josef Dzhugashvili, is overdekt. Het bestaat uit een kamertje met bedje, kast, tafel en stoelen alsof er een dwerg in woonde. Daar achter bevindt zich een standbeeld van Stalin in uniform, net zo'n wit, strak beeld als Moeder Georgië. Daar is ook de treinwagon, die Stalin in 1945 vervoerde naar Potsdam om de vrede te tekenen met wereldleiders Churchill en Chamberlan. Het interieur is betimmerd met houten kamertjes, zelfs een keukentje met een Aga fornuis. Stalins kamertje heeft een badje, zo klein als in zijn dwerghuisje.

Stalin die zich ontpopte tot gruwelijk dictator, wordt hier in Gori vereerd met museum, plein, avenue, standbeeld, wagon. In het museum leidt een Duitssprekende gidse met zwart haar en donkere ogen ons de trappen op naar enorme museumzalen. Daar hangt een serie Stalin portretten van jonge man, in 1902 nog een knappe, wilde revolutionair met sjaal tot na 1930 een stijve partijleider met snor en hooggesloten uniform. De gidse dreunt een uit het hoofd geleerde tekst op over hoe Stalin opgroeide in Gori als schoenmakerszoon en daarna in Tbilisi geschoold is in de ondergrondse. Ze toont een maquette als een poppenhuis van een diepe schacht en een miniatuur drukpersje. Bestaat dit nog? Het bevindt zich bij het Sheraton Hotel.

Wat is er van de ondergrondse over? De volgende dag lopen we richting Sheraton Hotel. Het begint te regenen. In de druilerige regen schuilen we onder een boom. Een man verschijnt. Wat willen we? Het ondergrondse huisje zien. De man loopt weg, komt even later in een aftands jeepje aanrijden. gebaart in te stappen. We rijden door modderige straatjes vol kuilen. Hij spreekt een paar woorden Engels, leert de taal via Internet. Op de passagiersstoel ligt een versleten boekje Russisch-Engels, het woord ‘lunch’ is onderstreept. Hij zet ons af voor een roodoranje gekleurd gehavend gebouw en racet weg.

Een kale, donkere hal. In een hoek een tafeltje met rood kleedje, waarop borstbeelden van Stalin en Lenin met een boeket veldbloemen er voor. Dit is een verjaard, aftands, versleten communistisch partijbureau. De communistische vergane glorie wordt gekoesterd door een paar bejaarde mannen in dit museum.

Een energieke man leidt ons door het museum. Hij spreekt geen Engels of Duits, maar we kunnen hem toch volgen met de afbeeldingen aan de muur. Dan leidt hij ons naar buiten, waar het houten huis staat dat we in het Gori-museum in miniatuur zagen. Het regent pijpenstelen. In het huisje toont hij ons een diepe put en gaat ons voor op een wenteltrap naar beneden naar een donker gat. Helemaal onderin is een ruimte waar de drukpers staat, verroest. In 1990 is de kelder onder water komen te staan. Oh, symboliek, een jaar na de val van de muur...

De metro in de diepte Terug op straat nemen we de metro en gaan opnieuw de diepte in, op de houten roltrap lijkt het of je loodrecht naar beneden valt. Je neigt ertoe achterover te hellen; de mensen die uit de diepte komen, hellen juist voorover. In de metro zien we drie kinderen. De oudste, een meisje, loopt als Charlie Chaplin met vergroeide voeten uit elkaar langs de passagiers met een bidprentje in de ene hand en in de andere een bekertje met munten. Een jongen en meisje volgen haar. Het jongste meisje is dun, ziet grijs als een muisje. Ze tonen vol trots het opgehaalde geld. Als het oudste meisje naast me gaat zitten, neem ik denkbeeldig de kinderen mee.

Op straat zie je gele Nederlandse bussen rijden, ‘Sandra bussen’. Sandra regelde dat deze bussen naar Tbilisi zijn gebracht. Haar volgende plan is gele taxi’s te gaan instellen. De taxi: Je hoeft je hand maar op te steken, of er stopt meteen een gammele wagen, een Lada of ander merk. Je onderhandelt met de taxichauffeur over de bestemming en prijs. Als hij geen Engels spreekt, gebruik je handen en voeten. Begrijp je elkaar, dan stap je in de aftandse wagen. Zodra de rit begint, word je door elkaar gerammeld, alsof je in de botsautootjes zit. Het verkeer komt zo rakelings op je af dat je beter je aandacht kunt richten op details, zoals het bidprentje in de taxi. Overal zijn bidprentjes. Er wordt veel gebeden. Als de mensen een kerk passeren, stoppen ze, slaan devoot een kruisje.

Het verlaten filmmuseum Als we uit de taxi stappen zien we een verlaten villa met verwaarloosde tuin met palmen. In deze prachtige Mediterrane villa is het Filmmuseum gehuisvest. Maar waar is de entree? We lopen door een donkere hal. Er is niemand. Een trap op. We gaan een kamer in. Een meneertje komt als een duveltje uit het doosje tevoorschijn. Hij leidt ons naar een kamer. Overal dozen waar filmfoto’s uitsteken. In een hoek zit een oude man in een pak achter een bureau. Hij moet een archivaris zijn. Ha, een boekenkast. Heeft hij een catalogus van de Georgische film? Er komt een vrouw bij van middelbare leeftijd. Ze draagt een lange zwarte feestjurk met zilver glitterband. Ze spreekt geen Engels. Er komt nog een vrouw bij, ze spreekt Frans. Er wordt druk gepraat, maar geen catalogus.

Spaarzaam verlicht warenhuis We bevinden ons weer in de diepte van de metro, stappen uit bij Rustavelis Gamziri. Naast de uitgang is een spaarzaam verlicht warenhuis met houten roltrappen. Er worden tassen, sieraden, cd’s, fournituren verkocht. Op oude elektrische naaimachines naaien vrouwen gordijnen. Bovenin, op de fournituren afdeling, staan drommen vrouwen en meisjes met graai rijpe handen kralen uit te zoeken. In een hoek aan het plafond hangen rijen zelfgemaakte witte bruidsjurken, als een expositie.

Folkzanger Bayar Sahin David, de eigenaar van Hotel Kala nodigt me uit voor een uitje naar het Openluchtmuseum bovenop de berg, waar een folklore festival plaatsvindt. Hij moet zanger Bayar Sahin ophalen die net uit Turkije is aangekomen. Sahin heeft een staartje, draagt halve broek, sandalen. Hij spreekt een beetje Duits. Op de vlakte is een groot podium, waar gerepeteerd wordt. David leidt me langs originele Georgische houten huizen, boerderijen, terwijl Sahins band verkoeling zoekt in de schaduw op de veranda van een houten huis voor een repetitie. De harmonica begint, daarna volgt de balalaika achtige gitaar en zetten de stemmen in. Op de veranda staat een houten plank waar uit een bok is gekerfd met horens als halve maantjes, zij aan zij, zo precies en gedetailleerd als een Jan Schoonhoven reliëf.

Pastazakjes uitslurpen David nodigt ons uit voor een diner. In het restaurant gaan we zitten in een kamer van een apart huisje. Het voorgerecht is khinkali, in pastazakjes gevuld gehakt en bouillon. een flodderig gekookt meelzakje, dat je met beide handen tussen duim en wijsvinger beetpakt en uitzuigt zonder knoeien. Dat lukt me niet. Na het eten, als we bij het festivalterrein aankomen heeft zich al een menigte jonge mensen rondom het podium verzameld. Zanger Bayar blijkt populair: er klinkt luid applaus als hij even later stoer het toneel opkomt in een folkloristische, harige witte lange jas met een zwaard aan zijn riem. Als de band begint te spelen en hij te zingen, gaat het publiek uit z'n dak, probeert het podium op te komen om te dansen. Ze worden het podium afgegooid door mannen in zwarte kleding. Het publiek klapt, danst, wiegt, beweegt de handen sierlijk, lenig uit de polsen. Een groep zangers ondersteunt Bayar. Ik raak gefascineerd door de dans en muziek.

Na afloop wil Bayar iets afspreken, maar ik neem de vlucht. Het is nog nacht als een taxichauffeur me naar het vliegveld brengt. Hij wacht tot ik ingecheckt ben. Als ik hem een fooi wil geven, wil hij die niet aannemen. Onderweg lees ik het Nederlandse boek Sandra, First Lady of Georgia dat ik in Tbilisi bij een Amerikaanse boekwinkel in de ramsj vond. Wegdommelend, zie ik de indrukwekkende beelden van de reis terug. Wat is er nog meer te ontdekken in het Oost-Europa van mijn voorvaders- en moeders?

http://www.youtube.com/watch?v=U7srCKGg5gM

dank aan medereizigers Renate Geuzinge en Andries Wielens.