Skip to content

columns

Als ik niet onderweg van Arnhem naar Amsterdam in de auto op de radio geluisterd had naar een uur lang interview met filmmaker Sacha Polak, had ik waarschijnlijk niet zo gauw haar debuutfilm Hemel gezien. Omdat dat interview met de filmmaakster over de film zo intrigerend klonk, ben ik dus naar de film gegaan.

Al zit de camera voortdurend dicht op de bleke huid van Hemel, de naam van de hoofdpersoon (actrice Hannah Hoekstra), en hoewel de vele seksscènes behoorlijk intiem zijn, kon ik haar toch niet leren kennen. Dit uitzonderlijk koele meisje heeft namelijk iets onbegrijpelijks, vandaar haar naam Hemel. Het lijkt wel of zij zich ondoorzichtig tussen hemel en aarde beweegt. In één scène zelfs letterlijk, wanneer zij hoog op een dak staat tegen de blauwe hemel.

De film is verdeeld in hoofdstukjes; na iedere keer een stukje zwart volgt een scène. Dit doet wat stijfjes en saai aan. Ik betrapte me er op wat verveeld naar de mooie, lege beelden te kijken. Dat ruikt al gauw naar schön filmerij. En er is gegoocheld in de montage met continuïteit. Het doet denken aan typische ‘lege’ scenes uit andere hedendaagse films als Lost in TranslationGuernsey en Shame.

Tot ik echt geboeid raakte in de laatste scène. Want daarin is Hemel niet de magere schoonheid die je aldoor als toeschouwer hebt zitten opnemen. Ze is ook niet meer het meisje dat, rap van tong, naar mijn smaak zure humor ten beste geeft. Daar staat zij, alleen in de regen in een portiek bij het huis van haar minnaar om een glimp van hem op te vangen. Wat zal zij doen? Zal zij, op haar koele wijze, de ‘waarheid’ vertellen aan de vrouw van haar minnaar? Op dat moment is een emotie van een hulpeloze, verwarde Hemel te voelen. Ik heb wel gehoord dat een film moet eindigen waar hij opnieuw kan beginnen en zo eindigt Hemel. Dit onverwachte einde maakt de film heel speciaal.

Het oude Pompgemaal in Den Helder is in 2007 door het Fonds BKVB/Mondriaan Fonds omgebouwd tot atelier annex woonvertrek. Hier verblijven jaarlijks tijdelijk kunstenaars en kunstbemiddelaars die er een werk creëren en dit tentoonstellen aan de omringende bewoners. Ik had het voorrecht hier vijf weken in de winter van 2011 door te brengen.

Het bleek de volmaakte plek om mijn manuscript over beeldend kunstenaar Jan Schoonhoven te voltooien. In dit zelfgekozen isolement, een ‘leeg’ atelier in de duinen, moest ik als stadsmens wennen aan de eenzaamheid en stilte. Maar altijd en overal is daar tot in de verre omgeving de 57 m. hoge gietijzeren oranje-roze vuurtoren Lange Jaap zichtbaar. Overdag is het een vertrouwd landmark. ’s Avonds en ’s nachts geeft het bescherming, als om de 20 seconden de reflectie van zijn vier licht schitteringen verschijnen op de slaapkamermuur in het Pompgemaal.

De afgelopen twee jaar verbleven 19 kunstenaars in dit atelier. Hun werken zijn nu in Kunsthal 52 van Den Helder bij elkaar gebracht voor een tentoonstelling Residu 2. Tot 24 maart is een wonderlijke mix te zien van beeldende kunst, fotografie, schilderkunst, video. Het meeste werk reflecteert op de omgeving rondom het Pompgemaal.

De baken van licht maakte ook indruk op Saemundur Por Helgason, een Rietveld-student die met acht andere studenten in het Pompgemaal verbleef. Toen Saemundur ’s avonds zag hoe de enorme strook licht een troep dieren in de wei verlichtte, scheen het hem toe dat er een UFO was geland.
Nadat ik in de krant Den Helder op Zondag mijn interesse voor ‘Lange Jaap’ bekend had gemaakt, stapte op een dag een meneer van de Helderse historische vereniging het Pompgemaal binnen. Hij had een interessant boekje over de vuurtoren bij zich. Daarin staan onder meer de ontwerptekeningen, de naam van de bouwer, Quirinus Harder, en zijn levensgeschiedenis. Drie jaar na de bouw was hij overleden, in 1880. Is ‘Lange Jaap’ zijn magnus opus? In plaats van Harders foto koos de auteur een spreuk uit een wapen:  ‘non dormit qui custodit’, ‘hij die bewaakt slaapt niet’ . Harders portret is namelijk onvindbaar. Hoe zou hij er uit hebben gezien?

 

MoMa, wat is dat toch een leuk woord. En wat is dit Museum of Modern Art in New York City toch een leuk, mooi, groot museum. En wat trekt het museum enorm veel bezoekers, zoals nu, voor de gedurfde Willem de Kooning expositie. Maar de regels van de moderne tijd beletten me de weg in dit Walhalla van de moderne kunst.

Op maandagmorgen had ik nog een paar uurtjes voordat het vliegtuig terugvloog naar Amsterdam. Ik wilde mijn reis trolley zolang in de museumgarderobe plaatsen maar werd tegengehouden door een suppoost in uniform:  ‘No, you can’t take that in.’ De ervaring leert dat een ‘no’ van een geüniformeerde bij 'nee' blijft.  ‘Maar waar moet ik dan met dat ding heen?’ ‘Ga maar bij een hotel vragen om de hoek.’

Het Warwick Hotel is beroemd om de kunst uit de jaren 30 in het restaurant. Maar zover kwam ik niet, want werd daar tegengehouden door een geüniformeerde doorman:  ‘No you can’t take that in.’ Hij stuurde me naar het Hilton Hotel op de volgende hoek. Ik sputterde tegen hoeveel hotels ik moest aflopen om een simpel koffertje te bergen, waar de halve wereldbevolking mee rondloopt. Maar hij was alweer bezig met het openen van portieren van aansnellende gele taxi’s.

In het immense, chique Hilton werd het plafond in de hal gerepareerd. Een man stond op een hoge ladder, een groepje mannen in hoteluniformen tuurde naar het crèmekleurige plafond, als een scène uit een Tati-film. Kennelijk was daar net tevoren iets gevaarlijks naar beneden gekomen, want de hotelconciërge had een flinke pleister op zijn wang en zijn oog zag blauw. Toen ik compassie toonde, keek hij pijnlijk maar hield zich groot en stuurde me naar een andere hoek van het hotel, naar een berging voor koffers. Ik leverde de trolley in en kreeg een bon van de geüniformeerde bewaker. Een vrouw die daar stond zei dat het een godswonder was wilde je een koffer uit die volle berging terug kunnen vinden.

Willem de Kooning Terug in het MoMa. Op de zesde verdieping wurmde ik me door de vele bezoekers door om een glimp van De Koonings’ schilderijen op te vangen en viel van de ene verbazing in de andere. Wat een durf, die ‘De Koening’, zoals de Amerikanen hem noemen.  Je wilt op de een of andere manier De Kooning toch als een Hollandse schilder zien, terwijl hij al voor de oorlog naar Amerika emigreerde en hij het grootste deel van zijn leven aan de Amerikaanse oostkust woonde en werkte.  Ik kan het niet laten er een gelijkenis met het werk van Lucebert in te zien. Maar wat een kleur, wat een vorm, wat een hoeveelheid, wat een grootte!

Ik nam de roltrap naar beneden voor de permanente collectie. De sensatie die de collectie oproept ken ik van vroeger in het Amsterdamse Stedelijk Museum als iets vertrouwds, éven naar Morandi, éven naar Mondriaan te kijken. De schilderijen waren er altijd en iedere keer zag je ze opnieuw, anders. Je moet tegenwoordig naar New York om die sensatie terug te krijgen.

En daar hangen en staan ze, de Morandi, de Brancusi’s, de Picasso’s. Ik zie een vrouw voor Picasso’s grote doek Les Demoliselles d’Avignon staan en vraag me af hoe het komt dat naakt nergens in Amerika mag, behalve in een museum. Ik zoek naar Braque. Ook hij is er, met een landschap waar ik lang naar tuur en het mis als ik de zaal heb verlaten, alsof ik ben vergeten het schilderij mee te nemen. En wie is daar? En jawel, vier streepjes pentekeningen van Jan Schoonhoven, zo zorgvuldig, minuscuul, precies. Schoonhoven in New York, hier in de MoMa, in goed gezelschap.

Ik dwaal langs de enorme boekenkasten vol mooie kunstboeken waar bezoekers bedachtzaam boeken bekijken. Hoe was dat vroeger ook alweer, in de bibliotheek van het Stedelijk Museum? Hoelang is deze er niet meer? Het gemis geeft even een hopeloos gevoel.  Even hopeloos is het daarna, weer met de trolley in een rij te wachten op de bus naar het vliegveld in een donkere, vieze tunnel. Een geüniformeerde buschauffeur schreeuwt naar elke passagier: ‘Airline?!

Op het vliegveld word ik bij de scan tegengehouden door een veiligheidsagent:  ‘No, you can’t take that.’ Ik moet terug naar de check-in hal omdat er een tube in de trolley zit die groter is dan de toegestane afmeting. Ik ben woedend en reageer kortaf tegen de Air France baliemedewerker in uniform. ‘You don’t have to get angry at me’,  zegt ze. Nee, natuurlijk niet. Weet zij veel dat ik die ochtend al twee keer eerder ben tegengehouden.

In het vliegtuig zie ik Midnight in Paris van Woody Allen. Wat een leuke film. Picasso komt er in voor. En daar zijn ook Gertrude Stein, Hemingway, Scott en Zelda Fitzgerald, Luis Bunuel. Eigenlijk zijn ze er precies zoals ik me ze voorstel.

Soms leef je even in een andere tijd, net als de schrijver in de film van Allen. Natuurlijk hoef je een andere tijdsperiode niet te idealiseren. Maar ik weet zeker dat er een tijd was dat je niet voortdurend door een geüniformeerde werd tegengehouden met ‘No, you can’t take that.

Als filmregisseur Bertolucci de kans kreeg zijn meesterwerk Novecento in de 21e eeuw te vervolgen, wat zou je dan zien?

Dit vroeg ik me af tijdens het kijken naar de 5 uur durende film Novecento (1900) die door de Vpro in het kader van Zomergasten werd uitgezonden. De Amerikaans-Italiaanse film uit 1976 was (gelukkig) de keuzefilm van Verhofstadt en wat de Belgische ex-premier verder over de film zei, heb ik gemist. Ik zag het staartje van de uitzending met een scène uit de opera Orfeo en Euridice, een krachtig, toepasselijk einde van de uitzending.
De film 1900 begint met de aankondiging van de dood van de Italiaanse operacomponist Verdi in 1901 en eindigt vlak na de Tweede Wereldoorlog. De film vertelt het verhaal over de twee Italiaanse jongens Olmo en Alfredo. Ze zijn op dezelfde dag geboren, komen uit dezelfde Parmezaanse streek en zijn ‘vrienden’. Het is een soort onmogelijke vriendschap vanwege een niet te overbruggen verschil in afkomst. In de roerige tijden waarin ze opgroeien wordt dit klassenverschil alsmaar groter.
Terwijl ik agrarische openluchtmuseum-beelden in Novecento voor m’n ogen zie langstrekken, ben ik geneigd hier hedendaagse beelden aan toe te voegen. Hoe is de moderne tijd in deze authentieke plaats doorgedrongen? Is het landgoed hersteld, raast er een snelweg langs, is het een olijfoliedistributie of een park geworden? Hangen er gigantische reclameborden, extravagante foto’s? Lopen er nerveuze mensen rond met mobiele telefoons? Wordt de geschiedenis van hun voorvaderen alleen nog herinnerd op nostalgische foto’s van zwoegende arbeiders in witte hemden die samen met de vrouwen op hooiwagens de oogst binnenhalen? Wat is overgebleven van de ideologie?
Politieke bezetenheid Tussen 1974 en ’76 in het noorden van Italië, werd ik getroffen door een politieke bezetenheid en scherpe tegenstelling tussen links en rechts. Nadat een jongen in de straten van Florence door de politie was doodgeschoten stond er een grote foto van zijn lijk in de krant met een schreeuwende kop wie deze jongen in de steek had gelaten. Daarop kwamen plotseling communisten in actie. Ineens waren de Florentijnse straatjes roodgekleurd van vlaggen, overal hoorde je stemmen galmen. 'Iedereen' leek over politiek te praten. En er zaten anarchisten tussen die verder met niemand of iets te maken hadden.
Zou Bertolucci ooit hebben kunnen vermoeden dat zijn grootse epische film voor het bioscoopdoek veertig jaar later verkleind terug te zien zou zijn op een pc en dat discussies via een scherm gevoerd zouden worden? Zou hij geweten hebben dat iemand als Berlusconi zou opstaan die het land jarenlang in de greep zou houden waardoor zo’n film niet meer gemaakt kan worden?
In 1995 beweerde Bertolucci nog dat hij Novecento wilde afmaken, vanaf de Tweede Wereldoorlog. Ik zou zeggen: begin meteen aan de 21ste eeuw. Is het archetype landeigenaar - vertolkt door Burt Lancaster - de nieuwe Berlusconi? Is de rol van de feodale landeigenaar op die manier inwisselbaar?
Bertolucci komt uit de regio Emilia. Hij verbeeldde de geschiedenis van zijn streek. De sterkste rollen zijn van Lancaster, Donald Sutherland als de fascist Attila en Gerard Depardieu als Olmo. Deze film werkt in zijn lengte zo dat de acteurs in hun rol groeien. Als je Depardieu als de zo lijfelijk aanwezige boer in 1900 bezig ziet, verwonder je je er niet eens meer over dat hij onlangs in een vliegtuig heeft staan plassen. Bertolucci wilde Jack Nicholson voor de rol van Alfredo. Hij is de derde generatie landeigenaar die geen beslissingen kan nemen, waardoor hij een nog grotere ravage aanricht. Je kunt je de grimmig satanische Nicholson goed in de rol voorstellen, misschien wel beter dan Robert de Niro.

Links goed, rechts fout Het was zondagnacht zomaar even 1900. De film laat me niet meer los. Zoals in 1976 de (kortere) filmversie me niet losliet. Bertolucci’s overdadige marxistische ideologie die hij verbeeldt in clichébeelden - links altijd goed, rechts altijd fout - kan ik nu zomaar accepteren. Waarom? Misschien komt het omdat de ideologie net zo schilderachtig is geworden als op het prachtige schilderij Il quarto stato van Giuseppe da Volpedo uit 1901, waarmee de film begint: een optocht van landarbeiders, voorop twee mannen en een vrouw met kind.
Terwijl ik de opstand van de vrouwen in 1900 meemaak, denk ik ook terug aan een bezoek aan de Parmezaanse stad Reggio Emilia, een paar jaar geleden. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben Emiliaanse vrouwen hier een educatief netwerk opgebouwd.  De creatieve scholing van kinderen begint hier al in crèches. Deze crèches zijn voorbeeldige plekken waarin creativiteit in de ruimste zin wordt ontplooid. Van heinde en ver komen mensen uit het educatieve veld naar Reggio Emilia. De plaats lijkt uitgegroeid tot een ware industrie. Welke impact heeft dit?

Stel je voor: Je krijgt een uitnodiging naar St. Petersburg te komen om in deze stad met 7 miljoen inwoners de bijna uitgewiste voetsporen te volgen van een vergeten voorvader. En om in het statige Petersburgse Rimsky Korsakov conservatorium live de muziek van deze voorvader te horen. Tijdens de witte nachten, als de zon zo laat ondergaat en de stad door het poollicht wordt beschenen, leefde ik afwisselend in heden en verleden als in een tijdmachine.

Daar zit hij, voorvader Nicolai of Nicolaus von Zaremba (1821-1879),  een zeldzame foto. Baard - in die tijd ook baarden - achterovergekamd steil donker haar, half lang, enigszins dichtgeknepen ogen. Dit kan zijn veroorzaakt door flitslampen die de ogen zowat verblinden.
Zwarte glimmende jas, overhemd met manchetknopen, strikje onder kraag. Zijn rechterhand gestoken in linker borstzak, Napoleons kenmerkende pose. De pose schijnt de mode te zijn geweest. Boek op zijn schoot, rechter-elleboog leunend op een tafeltje waar een hoge hoed op ligt. Ik bestudeerde de foto. Is iets aan zijn gezichtsuitdrukking af te lezen? De donkere baard verbergt dit. Hij kijkt vriendelijk, serieus. Gedreven komt hij op me over. In de ogen, oogleden, kan ik iets bespeuren van mijn grootmoeder Adelaïde Heemskerk. Hij was haar grootvader. Ze heeft hem nooit gekend.

Anastatia Grootmama’s verhaal over Anastasia Nikolaevna, de jongste dochter van de vermoorde tsaar Nicolas II en Alexandra, intrigeerde me. Anastatia zou de enige overlevende zijn van de tsarenfamilie. In de jaren 1920 was ze opgedoken in Berlijn. Ze beweerde dat ze de tsarendochter was die voor de executie van haar familie was gered door een Russische rode soldaat die haar had laten vluchten. ‘Anastatia’ werd echter niet geloofd en leefde als Anna Anderson in een huisje in het Zwarte Woud.
Zo nu en dan verscheen een artikel in een tijdschrift over Anastatia en het gruwelijke lot van de tsarenfamilie. Grootmama las zulke verhalen gretig aan het ontbijt in haar dikke ochtendjas. Daarbij voerde ze in de thee gedoopte koekjes aan haar honden Bobbie en Peetja. Dan zei ze dat ze geloofde dat Anastatia’s verhaal waar was. Ik staarde naar de foto’s van de tsarenfamilie en verbeeldde het me; ik wilde graag geloven dat het meisje in die mooie lange witte jurk gered was. Ze was immers onschuldig.
In zo'n tijdschrift stond meestal een zeldzame, vage foto afgedrukt van Rasputin, een rijzige man met een lange, zwarte baard in een monnikspij. Hij bezat bijzondere spirituele gaven. Hij was aan het hof om de enige zoon Aleksej te begeleiden. Aleksej was ziekelijk en verzwakt. Rasputins invloed was te gevaarlijk en prins Felix maakte korte metten met hem. Maar volgens het overleveringsverhaal lukte dit niet door vergiftiging en kogels. Rasputin werd in de Neva geworpen waar hij verdronk.
Op die manier raakten wij, de klein-kleinkinderen van Nicolai Zaremba vertrouwd met het oude, keizerlijke Rusland als een grimmig sprookje. Grootmama’s huisje in het bos waar 'natuurlijk' een berkenboom in groeide, droeg daar toe bij. In de voorkamer stond een divan met een dik kleed. Er hing een schilderij van een Russisch sneeuwlandschap in rossig avondlicht. In de boekenkast stonden boeken van Tolstoj en Dostojewski.  Ik was zo gefascineerd door de kaft van Tolstojs boek Kinderjaren, een schilderij van een meisje in een roze jurk in het gras, dat ik het begon te lezen. Telkens legde ik het weer weg, de woorden waren te moeilijk. Op de boekenkast stond een opgezette papegaai, Gerrit. Hij was van haar vader, grootpapa Heemskerk geweest. Hij had altijd met Gerrit gesproken. Nu zei Gerrit niets, al verbeeldde ik me dat hij knauwend riep.
Het leek of alle dingen in grootmama’s huisje met een toverstokje waren aangeraakt. Zoals een mandje vol sleutels, waarmee de deuren van huizen en hotels van verre familieleden kon binnenkomen en de zoete, wrede verhalen werkelijk kon beleven. Die fantasie was aangewakkerd door het geïllustreerde boek Alice in Wonderland, waar ik de plaatjes van kon dromen.

Zaremba In grootmama’s voorkamer stond een vitrinekast, de 'muziekkast'. Daarin waren de schatten uit het oude Rusland deels zichtbaar. Daarin lag ook Zaremba’s dirigeerstok met ingelegde edelstenen, muziekstukken- en gedenkboeken van het conservatorium, familiedocumenten uit Polen en Letland. En het  oude speelgoed, Russische poppen met starende ogen en porseleinen zeemeerminnetjes waar we mee mochten spelen.
In 1930 was Adelaïde katholiek geworden, ze heette nu Maria. Ze hield het hoofd boven water met vertalingen maken uit het Russisch, Duits, Italiaans. Tot diep in de nacht tikte ze op haar typemachine. Ze verdiende slechts een stuivertje met dit vertaalwerk.  Toch deed ze dit liever dan de memorabilia van de Russische familie verkopen. Geen sprake van dat ze ooit naar Rusland zou reizen, Rusland was gesloten achter het ‘ijzeren gordijn’. Wel onderhield ze contacten met Oost-Europeanen. In haar ogen waren Oost-Europeanen bijzonder, ze sprak over ze met een tikje medeleven. Nederlanders noemde ze ‘de Hollanders’, alsof zij en wij daar niet bij hoorden. Maar waar dan wel bij?l
Haar naam wordt door ons nog steeds op een tere manier uitgesproken. Vergeleken bij de chaos in ons ouderlijk huis heerste bij haar rust en een wereld – zij zei wèreld op z’n ouderwets – van verbeelding. Baboesjka was het eerste Russische woord. Bij haar waren ook altijd ‘lekkertjes’. Zo'n zestien jaar heb ik haar meegemaakt, ze stierf in 1969. Ik denk niet vaak bewust aan haar. Ze is onbewust in mijn herinnering. Tijdens deze reis en daarna heb ik weer bewust aan haar gedacht.

Conservatorium In afwachting van de viering van het 150-jarige bestaan van het  Petersburgse conservatorium in 2012 wordt nu aandacht gegeven aan de oprichters en eerste docenten. Op de historische afdeling wordt nu studie gedaan door Andrei A. Boretsky, een 25-jarige muziekhistoricus. Hij is tevens dirigent en heeft Zaremba’s muziek uitgevoerd en op cd uitgebracht. Toen hij in januari 2011 een bezoek bracht aan Amsterdam hoorden we  zodoende Zaremba's muziek voor piano en koor voor het eerst. Sindsdien wordt Andrei op handen gedragen. De in de familie zorgvuldig bewaarde dingen worden nu geëxposeerd in het conservatorium. Alle spullen zijn na 130 jaar weer terug op de plek waar ze vandaan kwamen en worden daar nu gezien.
Opmerkelijk hoe Andrei onze familie heeft gevonden. Via Facebook is hij terecht gekomen bij Jacob en Frederik Heemskerk. Daarna is het balletje gaan rollen. Zonder internet hadden we nog niks geweten. Het zorgt er ook voor dat e-mails uit de vertaalmachine komen in grappig Engels.

St. Petersburg Eerder twijfelde ik er naar toe te gaan. Kon ik daar de sprookjesachtige sfeer terugvinden uit mijn grootmoeders verhalen, of wilde ik ze juist koesteren? Wel was ik op zoek naar familie. Zo had ik met Kees Hin en Rolf Orthel een film gemaakt over Russische vrouwen in Nederland, De salon van het verdriet (1978).  De film was wel begonnen uit interesse voor familie geschiedenis, maar toch durfde ik hier toen niet persoonlijk over te zijn. De uitnodiging van Andrei naar St. Petersburg te komen kwam als geroepen.
Ook Andrei bleek geroepen door een helderziende in de familie, Elena Loginova. In 2009 had zij het conservatorium benaderd over dat de tijd gekomen was om Zaremba’s naam te herstellen met de plechtige boodschap: ‘Alle natuurprocessen zijn cyclisch, na de nacht begint een nieuwe dag met de zonsopkomst. Als de gedachten, gevoelens en daden van Nikolai Ivanovitsj Zaremba de hoogste norm van moraal, professionaliteit en liefde voor mensen in zich dragen en uit de obscuriteit komen, betekent dit Gods plan de moraal en cultuur voor onze natie te doen herleven.’ En Andrei’s eerste daad was de restauratie van Zaremba’s graf op de Lutherse begraafplaats Volkov.

Bij aankomst op het Pulkovo vliegveld, nadat mijn zoon Olivier, vriend Erik en ik flinterdunne douanepapiertjes hadden ingevuld, stond Andrei ons op te wachten met bloemen. Daar waren ook mijn zus Clara, haar man Tom, nichtjes Amanda en Alexandra. We werden in een busje vervoerd naar een buitenwijk van de stad, waar we een kamer kregen in een studentenhuis.
De wijk stond vol hoge, rechte, faal gele flatgebouwen zonder balkons. De vrouwen in de omgeving leken jong of oud. De jonge droegen veel make-up, korte rokjes, superhoge hakken. Ik vergaapte me er aan met mijn nichtjes. Veel mannen hadden een fles bier in de hand, her en der lagen lege bierflessen. Met Andrei's kenmerkende vliegende vaart, gevolgd door Olivier met de camera, leidde hij ons naar de supermarkt. Daar kocht hij flessen bier en snacks. Vervolgens leidde hij ons langs de flatwijk tot de oevers van de Finse Golf voor een picknick. Daar zaten we onze aankomst te vieren, tussen rommel, kwakende kikkers en muggen. Het leek even of we aan het Amsterdamse Nieuwe Meer zaten. Met dit verschil dat je overal berkenbomen zag. De berk! Ik dacht aan Tatiana, het Russische meisje uit de film De salon van het verdriet. Zij vertelt in de film dat ze heimwee krijgt naar Rusland zodra ze in Nederland een berk ziet staan. In de avond - nog zo laat licht - maakten we opnieuw de wandeling,  en nog verder tot we aan de Finse Golf ver weg het centrum van St. Petersburg zagen liggen in rossige avondgloed.

St. Petruskerk  Van alle plaatsen die we met Andrey bezochten en de bijna uitgewiste sporen volgden, is de Lutherse St. Petruskerk bij de Nevsky Prospect wel het meest opvallende monument. Want uitgerekend deze kerk, waar Nicolai Zaremba trouwde met Adelaïde von Klugen en daarna Lydia Zaremba met Theodoor Heemskerk, is gedurende de Sovjettijd een zwembad geweest! Een duikplank verving het schilderij van de kruisiging. Er zijn zoveel kerken, dat het niet eens zo raar lijkt deze om te vormen tot een functioneel zwembad. Nu hebben Lutheranen de kerk hersteld. Foto’s herinneren aan het oorspronkelijke interieur en het zwembad.

Als ik de trappen van het conservatorium met twee treden tegelijk oploop, moet ik weer denken aan mijn grootmoeder die vertelde dat het Zaremba’s gewoonte de trap op te hollen met drie treden tegelijk. Maar er is geen spoor: Zaremba heeft het conservatorium in de huidige staat niet meer meegemaakt. Er waren twee andere conservatoria voordat deze werd gebouwd. Om de huidige te bouwen was veel geld nodig. Dit zou een reden zijn waarom de naaste familie na Zaremba’s dood geen pensioen meer ontving.
In een kamer van de historische afdeling was hier de expositie ingericht van de eerste directeuren en docenten. In vitrines lagen de door de familie bewaarde spullen en documenten. Het ontroerde. Evenals de uitvoering van zijn muziek voor piano en koor met Andreis vrouw Irina Andryakova, met een prachtige sopraanstem.
En dan waren er buitengewone ontmoetingen met verre onbekende familieleden uit Californië, Litouwen, Moskou, St. Petersburg. Onder leiding van ‘neef’ Sluchevsky bezochten we de Hermitage tot we even schoon genoeg hadden van kunst.

150 jaar En nu? Het verhaal wordt vervolgd door de achter-kleinkinderen. In Zwitserland hopen we meer muziek van Zaremba te vinden. We kennen al zijn muziekstukken nog niet. Zeker weten we dat Zaremba een goede leraar was, van niemand minder dan Tsjaikowski. In de Tsjaikowski biografieën komt Zaremba er echter bekaaid af. Volgens mijn grootmoeder vond hij Tsjaikowski ‘wel zeer begaafd, maar te modern’. Wat betekent dat, en voor zijn eigen muziek?
Misschien vinden we nog muziek waarin hij volksmuziek heeft verwerkt, de Poolse origine van de Zaremba’s. Mijn grootmoeder vertelde dat het dansen van de mazurka hem in het bloed zat!
Tijdens de officiële 150-jarige herdenking van het conservatorium in 2012 zal opnieuw veelvuldig worden gespeecht, getoast. Tijdens een diner in een Kaukasisch restaurant hebben we tussen het eten, drinken, dansen door een toast uitgebracht op mijn grootmoeder en de familie om te memoreren hoe geweldig ze deze rehabilitatie zouden hebben gevonden. Als ik wodka zal drinken zal ik giechelen. Het zal je ook maar overkomen, zo ineens.

Bij aankomst met de bus in het schitterende havenstadje Githion aan de azuurblauwe Middellandse zee, ligt het centrum bedolven onder een berg vuilnis. Ik loop er met een grote boog omheen. Hoe is dit nu mogelijk in dit prachtige stadje?’ vraag ik aan de bus employee in het busstation annex café. Met zijn handen wrijft hij door zijn zwarte, gladde haren en zegt ernstig: ‘We hadden een vuilnis dump, maar die is illegaal. Volgens de regels van de Europese gemeenschap moeten we een vuilverbrandingsoven bouwen, maar we weten niet hoe en waar. We zijn erover aan het praten.’

Zo blijken er nog meer onopgeloste zaken: In het paradijsje waar we logeren aan de uiterste punt van de Peloponnesos valt de elektriciteit regelmatig uit en daarmee ook de waterpomp. En is er een verstopte doucheafvoer en riolering; wc-papier moet worden gedumpt in een emmer. Zodra een probleem is verholpen begint men te juichen. Maar de oplossing is slechts tijdelijk. Het lijkt of men gewend is aan die ongemakken, alsof ze gewoon horen bij de dagelijkse afwas en boodschappen doen. Die levenswijze is zo gangbaar. Hoe is het mogelijk die aan te passen aan de Noord-Europese norm? ’s Avonds na het diner praten we over deze kwesties met de restauranteigenaar. Bij alles dat ter sprake komt, blijft er iets steken in een probleem: als het over verbetering van welvaart voor de Grieken gaat - de export van de super olijfolie - blijkt de concurrentie met de Italianen en hun betere marketing een probleem. Gaat het over zon-energie, dan blijken zonnepanelen te duur om daarmee een huis van energie te voorzien. De zaken zien er weinig hoopvol uit. Het enige dat altijd een positief gesprek oplevert is voetbal.

Ondertussen verzamelt ongedierte zich tussen de vuilnishopen in Githion. De stank begint ondraaglijk te worden. Als we na twaalf dagen weer vertrekken, blijkt er dan toch schot in de zaak te zijn gekomen: Mannen met kappen voor hun gezicht laden de vuilnis op enorme vrachtwagens. De vuilnis zal naar Athene worden vervoerd naar vuilverbrandingsoven aldaar. Dit is een tijdelijke oplossing, die veel geld kost.

Maar wat tref ik thuis aan? Een enorme vuilnishoop voor de deur! Oost west, thuis best? Dat valt te bezien.

In het Filmmuseum, tijdens het kijken naar de film ‘Les Demoiselles ont eu 25 ans’ van Agnes Varda, rolt zomaar een traan over mijn wang. Zomaar?

De film voert terug naar het jaar 1966. Mijn zusje Clara en ik zitten op de christelijke middelbare meisjesschool 'Van Limburg Stirum' in Arnhem. Daar krijgen we extra lessen in Franse conversatie van mevrouw Ploeg. Ze is streng en ook aardig. Ze vindt dat we beroepsmatig met Frans moeten doorgaan.  De taal heeft voor ons echter een ander doel, want we hebben het stadium jongens en Frankrijk bereikt. We vinden Franse jongens leuk, leuker dan Nederlandse. Franse jongens zingen ‘je t’aime’, terwijl Nederlandse jongens je pesten als je naar Franse muziek luistert. We vinden alles in Frankrijk beter: de taal, muziek, films en sterren van Sylvie Vartan, Francoise Hardy, tot Jean Paul Belmondo en Alain Delon. We lezen over ze in de tijdschriften Salut les Copains en Mademoiselle Age Tendre, knippen foto’s uit en kunnen niet wachten tot de week voorbij is om onze slome Ryam schoolagenda’s op te vullen met hun super fotootjes.
Zo zijn we ook op de hoogte van de muziekfilm Les Demoiselles de Rochefort, die de cineast Jacques Demy maakt in Rochefort met de mooie zusjes Cathérine Deneuve en Francoise Dorléac in de hoofdrol. Deneuve hebben we eerder gezien in de Arnhemse Luxor bioscoop in een andere musical van Demy, Les Parapluies de Cherbourg (1964). Een meeslepend drama, helemaal gezongen op muziek van Michel Legrand. Maar de jongens hebben de voorstelling verpest, omdat ze niet tegen het zingen kunnen en aldoor ‘Non!’ roepen te blèren door de zaal.

Kamperend op vakantie in Normandië met onze ouders en jongste zus, gaan wij 's avonds naar het Casino om Les Demoiselles de Rochefort te zien. Als francofielen moeten we de film wel mooi vinden; we bewonderen de zusjes, hun witte in pastelkleur afgebiesde jurkjes en de aankleding. Binnen een mum van tijd zoemt het liedje ‘nous sommes les deux jumelles, né sur le signe des Jumeaux, mi fa so la mi re, mi fa so so so re do’ door onze hoofden (al vinden we in stilte dat de zusjes niet echt goed zingen).
We verdiepen ons er niet in wat de film doet voor Rochefort, beseffen niet dat de stad met de film op de kaart is gezet. De stad blijkt er zelfs zo blij mee, dat bij het 25-jarig bestaan in 1992 feest wordt gevierd. Demy’s vrouw, de innemende cineaste Agnes Varda en de altijd prachtige actrice Catherine Deneuve worden uitgenodigd om het feest op te luisteren. Er is genoeg reden voor melancholie, want zowel Demy als Francoise Dorleac zijn dood. Niettemin gaan ze op de uitnodiging in, zijn goedgehumeurd. Varda maakt opnamen van alles en iedereen. En monteert deze met eerder gemaakte opnamen in Rochefort. Ze maakt het tot Les demoiselles ont eu 25 ans, de film waar ik naar kijk. Het is een vrolijke boel, de filmscènes èn de repetities, de outtakes met Gene Kelly, zingend en dansend door de stad zijn meesterlijk.
Dan komt ineens een ver verborgen herinnering van de vakantie bovendrijven. Daar is het strand, de ontmoeting met Franse jongens, slokjes cola, zoenen in het Casino en in de tent, oelala en tralala…En dan...de terugreis in de auto naar Nederland. We zijn bruin, onze haren blond van zon, net als onze Franse idolen. ‘Mi fa so la mi re, mi fa sa so so so re do’ zoemt het door onze hoofden. Terwijl de beelden langstrekken, de herinnering aan de 25e verjaardag van de film, voel ik ineens het liefdesverdriet na de leuke zomervakantie. Alsof het nooit meer over zou gaan. En rolt een traan…
Toen de Franse jongen me daarna uitnodigde met kerstmis naar zijn woonplaats Nantes te komen, ging ik niet.  Ik had daar nooit meer aan gedacht, tot ik Les Demoiselles ont eu 25 ans zag. Wat zou er gebeurd zijn als ik wel was gegaan, hoe anders zou mijn leventje gelopen zijn? Het liedje zit weer in m’n kop. De agenda is er nog. Op de 1e bladzijde naast het lesrooster is een fotootje uit de film geplakt.

Heel even was ik weer 15. Ik zou nog wel eens zo zorgeloze vakantie willen vieren. Wat een verrassing, wat een troost. Je vous remercie, madame Varda.

 

Wat gaat er om in het hoofd van cameraman Robby Müller? Wat ziet hij voor zich? Kan ik in zijn kop kijken? Is deze soms gevuld met lichtinvallen, kaders en camerastandpunten? Ziet hij opnamen van Down by Law, Barfly of Paris Texas? Of honderd camera’s waar hij de regie over voert in Lars van Triers Dancer in the Dark? Ziet hij regisseurs en hun typische trekjes? Hotelkamers in onbekende steden? Een brandende palmtak tegen de lucht, die uitdijt als hij in de fik staat, in Steve McQueens Carib’s Leap?

Dit vraag ik me af vanaf het balkon in de grote zaal van Paradiso waar Robby Müller met zijn familie beneden in de zaal zit. Weldra zal hij de Bert Haanstra oeuvreprijs van het Filmfonds ontvangen. Actrice Johanna ter Steege is de gastvrouw. Ze komt het podium op in een vrolijk gekleurde broek. Ze is twee keer te zien, als poppetje op het toneel en schrikbarend groot op groot scherm als een Alice in Wonderland. Haar microfoontje blijft aanstaan, als ze tussen de programmaonderdelen door tussen de coulissen fluistert met de toneelmeester over de volgende acte de présence.
Vervolgens zien we op het grote scherm een compilatie van Müllers filmwerk. Het zijn ronduit schitterende momenten, die de genialiteit uitdrukken van deze cameraman van het licht. Alsof hij uitvoerig schilderijen heeft bestudeerd en overgezet op film, waarbij hij gebruikte maakte van natuurlijk licht. Er wordt beweerd dat hij in het voetspoor treedt van de sublieme schilder Vermeer. Maar ik associeer het met de sfeer op de schilderijen van Edward Hopper. Die beelden van lege ruimten, een enkel mens, spaarzaam licht, stilte in een eenzame wereld.
Comedy en licht. Het interview met Müller over licht schiet me ineens te binnen. Ik maakte het met hem voor de Hollywood Reporter op het Rotterdamse filmfestival. Wat was de aanleiding, een film van Roberto Benigni? Ja, het ging over comedy; het zal Il Piccoli Diavolo uit 1988 zijn geweest. Een mooie, lichte film. Wat zei hij? Dat het filmen van comedy anders is: 'Comedy heeft een ander type belichting nodig, meer licht, helderheid.'

Licht beïnvloedt je stemming. Mensen in het noorden hebben in de wintermaanden bij gebrek aan daglicht extra licht nodig om zich prettiger te voelen. Ik was me er niet eerder van bewust dat comedy's vrolijk stemmen vanwege het vele licht. Dat had hij toen fijntjes uit de doeken gedaan.

Stofjas Terug naar de feestelijke avond in Paradiso, waar Müller lovend wordt toegesproken door Wim Wenders en Jim Jarmusch. Karakteristieke regisseurs, met wie hij buitengewone films draaide. Ze zeggen allebei dat hun films er door zijn camerawerk zoveel beter op zijn geworden, beter dan ze ooit konden dromen of bedenken. Wenders, in lange stofjas-pandjesjas, kijkt treurig, zoals altijd. Somberheid troef voor deze serieuze man die zo fanatiek van film houdt als een ander van voetbal. Jarmusch is wat lichter van toon en uiterlijk. Ook hij kan zijn emotie niet helemaal bedwingen. Zeker ook omdat hij onder de indruk is van de live muziek van de band.
Dan is het (Engelse) woord aan minister Plasterk, die zich in Müllers vakwerk heeft verdiept. Met zijn vrouw bekeek hij een film met de opdracht alleen te letten op het camerawerk. Maar op den duur werden ze toch in het verhaal, de spanning gezogen. Daarna leest een in het wit geklede Nelleke Noordervliet als jury voorzitter het juryrapport voor. En ontvangt Müller tenslotte uit Plasterks handen de cheque en een beeld, de award. Het is een metalen figuur met een punt, zo lijkt het van een afstand. Müller plaatst de punt van het beeld aan zijn kin als een spies. Met zijn bijna 70 jaar en onophoudelijke werk – soms draaide hij wel drie grote films in één jaar – is hij versleten. En spreekt zijn aardige vrouw plaatsvervangend op het toneel.
Na afloop krijg ik de kans hem te feliciteren. Hij kijkt me doordringend aan. Wat ziet hij, als hij me aankijkt? Een kader, lichtval, standpunt? En wat bedoelt hij, als hij daarop zacht zegt: ‘Nog niet’? Nog niet de ultieme film, het ultieme shot? Of gewoon nog niet naar huis? Ik wou dat ik het wist.

Met koorts in bed beleef ik thuis opnieuw de reis door Vietnam in december en januari 2009. Aanvankelijk durfde ik niet naar het land; bij de naam alleen al dacht ik aan oorlog. Nu ik er ben geweest, associeer ik het land niet langer met oorlog.

Olivier ging mee op de reis per trein van Ho Chi Minh City (Saigon) naar Da Nang. In Ho Chi Minh was het heet en droog geweest, alsof regen niet bestond. Onderweg sijpelde regenwater langs het raam van de treincoupé.
We hadden geen slaapcoupé. De receptioniste van Hotel Number One in Saigon die de treintickets had geregeld, zei dat de stoelen ‘perfect, als vliegtuigstoelen’ waren. De stoelen waren riant voor Vietnamese ‘petite’ maatjes. Maar wij konden onze lange benen niet kwijt. De nachttrein denderde door het donker. Zo nu en dan maakte hij flink vaart. Af en toe stopte hij bij een station. In een vaag schijnsel van gelig licht zag je dan bedrijvigheid tussen de eetstalletjes, als in een film.

Pyjama en hoed Kan ik me gezichten uit de trein herinneren? O ja. Een groot geel gezicht, nieuwsgierige kleine, blauwe ogen: Het gezicht van 'de kunstenaar'. Zo noemden we hem. Het kwam omdat hij een ingepakt schilderij bij zich had en een pyjama en grijze hoed droeg. In Saigon had ik geen mensen gezien in zo’n (goed zittende) pyjama. Oud was hij en klein, met grijs, sprieterig haar. De kunstenaar verwisselde aldoor van plaats. Af en toe kreeg hij eten of drinken toegestopt van een oude dame.
Bij een stationnetje stapte hij de trein uit. Vanuit het raam zag ik de gedrongen gestalte op de rails staan. Hij keek nog even naar de trein, zocht de blik van de dame, die achterbleef in de coupé. Ik maakte haar er op attent. Ze kwam bij het raam, zwaaide naar hem. Zij droeg een mooi, goed zittend pakje, broek met jasje van dunne stof. Toen het kouder werd, trok ze er een houtje touwtje jas met capuchon over aan. Bijna alle treinreizigers droegen zulke keurige maatkleding van goeie stof. Dat deftige, ouderwetse van reizen in je goeie goed, zoals je het alleen nog kent uit klassieke verhalen... Hoe bleven ze zo keurig in de vieze trein met de gore wc? Daarbij vergeleken zagen wij er niet uit in onze t-shirts met slippers. Om maar niet te spreken van de paar rugzaktoeristen met hun grote sandalen en vormeloze afritsbroeken.

Da Nang Het was vroeg in de ochtend, toen we Da Nang bereikten. Ik associeerde de plaatsnaam met oorlog. Hier heet de Vietnam oorlog de 'Amerikaanse oorlog'. In 1965 landde het Amerikaanse leger in deze kustplaats. Vergeet de oorlog. Wie zei dat ook alweer? Malte. Hij zei het meteen tegen me op de dag dat ik aankwam in een restaurant, waar we aten met een groot gezelschap familieleden en aanverwanten. Daar serveerden ze uitsluitend een ongekende variatie aan paddenstoelen. De paddenstoelen soep pot op het vuur stond in een gat in de tafel: ‘Het is 30 jaar geleden’, zei Malte: ‘De mensen zijn dood.’ Niet allemaal. De kunstenaar in de trein niet. De dame ook niet. Da Nang was een slagveld. Nu worden de stranden opgeknapt voor toeristen; de industrie is booming.
Hoe gingen we verder? Zodra we het station uitkwamen waren er overal taxichauffeurs: ‘Madame! Taxi? Where you go?’ Ik had het adres van een hotel in het nabijgelegen Hoi An. Daar zouden we mijn broer en Renee ontmoeten. Maar de taxichauffeur wist een beter hotel. Hij reed over modderige glibberige wegen naar het Phuoc An Hotel. Daar werden we hartelijk ontvangen. Het hotel was nog vol. Tot 12 uur konden we zolang in een gastpension slapen. Een keffend wit hondje aan de lijn hield de wacht. O. viel vrijwel meteen in slaap, languit.

Madame, you buy from me? Ik heb Hoi An verkend. Eerst naar een ATM gezocht om daar miljoenen Dong uit te halen, lappen papiergeld. Overal waren kleermakerszaken. Overal stonden paspoppen met maat jasjes voor winkels geëtaleerd. Ik hoor smekende stemmen van verkopers: ‘Madame, buy from me, madame, you like your jacket made? I make clothes for you. Very cheap, madame.’ Zou ik zo’n jasje laten maken? Zo’n mooie capuchon jas, die de vrouw in de trein droeg? M'n C & A regenjasje was eigenlijk zo oud, koud…Het ‘madame!’ bleef maar aanhouden. Een zeurderig, aanhoudend gejank, smekend. Ik wees het aldoor glimlachend af. ‘Madame’ wilde alleen kijken.
Op mijn slippers de pas versnellend, stootte ik me aan een steen. Een teen begon te bloeden. Ik liep naar het kleurrijke winkeltje  van ‘Cloth Shop and Tailor 55’, 55 Tran Phu, en wees naar de teen. Het dochtertje van de naaister nam me mee naar achteren, naar een keukentje en een plaatsje. Het zag er primitief uit. Ze wees op een krukje bij een gootje en naar een emmer met een schep om mijn voet te wassen. De hele familie kwam in actie. De broer van de naaister haalde jodium en een gaasje. Hij gaf me de spullen niet rechtstreeks, maar via de moeder van de naaister. Vanwege al die hulp voelde ik me wel verplicht iets bij haar kopen. Ik koos twee bloesjes. Maar dat was niet genoeg. De naaister wilde ook meteen een capuchon winterjas voor me op maat maken. Maar ik had geen zin, niet nu passen en meten. Ik vond de weg terug naar het hotel. O sliep nog.

Hué De reis vervolgde naar Hué. We hadden een grote hotelkamer met ventilator in het Ngog Hung Hotel. We gebruikten de fan om onze natte kleren te drogen.
Hué…weer zo’n plaatsnaam uit de oorlog. De keizerlijke paleizen in de verboden stad worden nu opgeknapt. Hier en daar is dat nog niet gebeurd. Je ziet ruïnes. Het werkt op je verbeelding. Alsof de strijd zich gisteren heeft afgespeeld. Zoals je vroeger in Wolfheze resten kon zien van loopgraven uit de Slag om Arnhem. Daar is het begonnen voor me, die associatie met oorlog.

In de keizerlijke vijver drommen duizenden enorme vissen. Je kan een zakje voer kopen en ze voeren. Ze spannen samen in een waterballet, golvend en happend naar eten, de bekken opengesperd, een klein orkaantje veroorzakend. O. wordt weer het kleine jongetje van vroeger als hij dit tafereel ziet.

De straatverkoper langs de brug heeft munten, helmen, veldflessen, Zippo aanstekers, opiumpotjes, militaire naamplaatjes (dogtags) te koop. Hij beheert als het ware zijn eigen museum, zegt O. We zagen de dogtags voor het eerst in de souvenirshop van het Museum of the City in Saigon. We vonden het morbide. Ook al is de oorlog 30 jaar geleden, toch gebeurt het weer. Zie ik een man op straat met één been, denk ik aan oorlog. Zie ik een lachende man op straat liggen met één loshangend stukje been, denk ik aan de man met de kop zonder romp in ‘Freaks’.
De straatverkoper in Hué vertelde dat zijn vader twee jaar gevangen zat, gevangen genomen door Zuid-vietnamezen. Na de oorlog was hij de jungle ingegaan om naar voorwerpen te zoeken. Hij zou een hele verzameling originele Zippo aanstekers hebben en ze de volgende dag meenemen. Maar toen we weer kwamen zei hij: ‘Sorry, sorry’. Zijn broer was naar Hanoï vertrokken met de waar.

Saigon Daar op de markt zag ik vissen snakkend happen in bakken met een beetje water. Ze zouden gehakt worden voor de soep.  Ik zag vrouwen met hakmessen op botten vlees inhakken. Levers en andere onderdelen dreven in emmers met water. ‘It smells of blood’ hoorde ik zeggen. Voor het eerst hoorde ik een Amerikaanse stem in Saigon. Waarom juist die zin? Toen ik opkeek, zag ik twee Amerikaanse mannen. Misschien waren ze 40. Ze droegen halve broeken met grote sandalen. Ze troonden boven de ranke, kleine Vietnamezen uit.
Op straat wordt heel wat afgesjouwd met emmers, pannen, bakjes eten. Je ziet stapels eieren op straat als Dali schilderijen. Te midden van het verkeer zitten mensen op peuterstoeltjes en krukjes te eten. Eten en nog eens eten. Ze prikken met stokjes, slurpen soep naar binnen. Het lijkt een cultuur van sjouwen en eten. Vergeleken bij de ranke, verfijnde kleding, is de taal en de verorbering van eten zo grof. En wat is het verkeer chaotisch…Iemand wees me eens op een lange rij doorlopende mieren als een natuurlijke verkeersweg. Diegene beweerde dat markeringen onnatuurlijk zijn. Ja, als iedereen zou lopen of fietsen...Maar nu vervoeren mensen zich in grote getale op scooters en brommers met fancy helmen op. Dat gaat niet zonder ongelukken. Bovendien gaat alles, ja alles! mee op de brommer: gezinnen, dozen, pakken, oogsten. Kan het méér zijn? De scooter lijkt bijna zo heilig als de schildpad. Ze racen zonder stoppen met lappen voor hun mond als geesten en spoken van het nieuwe tijdperk.
Er is GSM, ATM, Internet, maar geen Engelse taal. We zijn verbaasd. We kijken ongelovig naar het ongeorganiseerde, chaotische. Overal. Naar elektriciteitsdraden, die als zwarte dikke spinraggen door de lucht lopen en ooit topzwaar zullen zakken. Als droge bomen die kraken onder teveel last. Er is iets anders te doen, voortjakkeren naar, naar wat?
Elke dag begint opnieuw met het starten van de scooter. Sexy zijn ze op de scooter, zo ’s avonds. Alsof alle seksuele beleving daarop plaatsvindt. De scooter is ook hangmat; een man ligt uitgeteld op zijn scooter, wachtend op de volgende klus. Op straat een wirwar van mensen die zich laten fotograferen voor het kerstgebeuren, massaal.
En te midden van al die chaos is ineens stilte bij de tempel. Ik zie een man voor de tempel staan, de handen samen, wensen en verlangen. Naar wat? Wat weet je van de ziel? Ik wou dat ik het wist.
Wat weet ik? Ben al blij dat ik heb kunnen achterhalen dat Nguyen Du een schrijver en dichter is. Nu kan ik tenminste de naam van de straat onthouden, die naar hem vernoemd is (ons hotel Number One in Saigon is in die straat). Hij leefde in de 18e eeuw en schreef ‘The Tale of Kieu’, een episch gedicht, bestaande uit 3254 verzen. Thuy Kieu is een jonge vrouw, die zich opoffert voor haar gezin.
Ik ben hier achter gekomen via het dagboek van Dang Thuy Tram. Haar oorlogsdagboek wordt namelijk vergeleken met het dagboek van Anne Frank. Zij citeert de dichter: ‘When one is sad, the scenery cannot be cheery’. Ik ben bedroefd. Het landschap kan me niet bekoren.

Bus naar Hanoi De zon scheen bleekjes in de ochtend, de zon wasemde de regen uit de stad, het vocht in de straatjes en op de balkons en in onze kleren, het weinige dat we bij ons hebben. We kwamen uit Hué met de nachtbus. Hadden in de bus geslapen op kleine bedjes van Vietnamees formaat in rijen van drie. Ongekreukt kwam de Vietnamese jongen naast me er uit tevoorschijn. Zijn zwarte haar zat alsof hij net van de kapper kwam. Terwijl ik geheel gekreukt en gedeukt was. Zo’n kleuterbedje is niet voor een Hollander gemaakt. Het was fijn, avontuurlijk te liggen in die rijdende bus met O. vòòr me in de rij. Het lukte zelfs nog te slapen. We maakten een tussenstop bij een wegrestaurant. Er was een wc op een binnenplaats. Zo'n natte, gore voetstap wc. Een ogenblik verlangde ik naar huis.
Er was een voetbalwedstrijd aan de gang op tv tussen Vietnam en Thailand; terwijl we alweer onderweg waren scoorde het Vietnamese team. Het schijnt dat de Vietnamese steden daarna op hun kop stonden met juichende mensen en rode vlaggen. Wij hebben daar in de bus helemaal niets van gemerkt.
In het ochtendgloren tekenden de silhouetten zich af. Zo snel als het avond wordt en pikdonker, zo snel komt het licht in de ochtend. Schoolkinderen fietsen in blauw-witte jasjes in rijen over de modderwegen, terwijl de bus luid toeterend rakelings langs ze heen schiet. Kinderen bij moeders achterop de fiets zonder stoeltjes of stepjes, hangend tegen de moeder aan, zwenkend in de modder langs vrachtwagens en bussen. Ik gruwel van de onverschilligheid voor elkaar in het verkeer, voor moeders met kinderen. Ik wou dat ik kon ingrijpen.
Vietnamese meisjes zitten onberispelijk op de scooters, ze dragen kleine schoentjes met hakjes als van Barbie popjes. Ze blijven schoon, zonder een spatje modder.

We zijn in Hanoi. In het gezellige pension van het gezin van reisbureau Vietnam à la Carte. We hebben een kamer met balkon. Je hoort hier in de achtergrond onophoudelijk taxi’s en brommertjes toeteren, als de muziek van Vietnam. De was hangt overal te drogen onder de veranda’s en daken en blijft klef, half nat. Op straat ben ik belaagd door studenten-boekverkopers, een fruitverkoopster, schoenmakers, die m’n schoenen plakten en een T-shirt verkoopster. Allemaal tegelijk. En toen ik me hieruit los geworsteld had en verbouwereerd verderop in een parkje zat, kwam de T-shirt verkoopster nog een keer op me af. En daarna weer de boekverkoper-student. Volhouders zijn het. Ze passen zich aan, mopperen of klagen niet, maar lachen. Ik liep vervolgens de verkeerde kant op en passeerde arme woninkjes en bedrijfjes. Ik zag ladingen oude fietsbanden, karton, een kind dat op straat pieste. Ik was verdwaald.

Nieuwjaarsparty In de avond liepen we met z’n allen op straat. We waren op weg naar het nieuwjaarsfeestje bij Ellen en Rob, vrienden van mijn broer en Renee. Rob is bosbouwer en werkt bij SNV. Ze werken in de armste Vietnamese provincies. Een innovatief project is de productie van schone olie voor dieselmotors uit de noot van de Jatrofa plant. De Jatrofaplant groeit goed op Vietnamese bodem. Er zijn al heel wat planten uitgezet op het land. Het betekent meer werk, meer inkomen en een schoner milieu.
Op het feestje was Cees met zijn (geadopteerde) familie de spil. Cees is van reisbureau Vietnam à la Carte. Hij woont zo’n acht jaar in Vietnam. Met hem maakten we de volgende dag met nog twee andere Nederlandse toeristen een wandeling langs de Rode Rivier. We doorwaadden de rivier om uit te komen op de landjes, waar bewoners groente en fruit verbouwen. Ze wonen in primitieve hutten. Bij overstroming van de rivier bouwen ze de hutten ergens anders weer op. Cees zegt dat die oppak geen enkel probleem voor ze vormt. De mensen zijn hier zo. De wandeling langs de Rode Rivier is mooi. Het doet me denken aan de Rijnoever, de tochten langs de rivier bij Arnhem.

Geluksvlinder van 2009 De ervaring van de reis was als een wolk. Mijn kop leek erin gehuld. Iedere keer werd ik wakker uit een diepe slaap en wist niet waar ik was. Waarom? Kwam het door de Boeddha beelden? Ik zou en moest iedere keer de starende blik van Boeddha op me in laten werken. Ik wou dat er een antwoord kwam op een vraag. Ik zocht een teken van aanwezigheid, naar een symbool.

In Hanoi kwam een vlinder voorbij, geel, wit, rood met zwart gevlekt. Het gebeurde bij de tempel van de literatuur. Hij dwarrelde langs me en ik volgde hem. Een Amerikaanse toerist kreeg hem ook in de gaten. Hij riep: ‘I’m going to grab him!’ Zijn partner zei: ‘Oh no, you don’t!’ Gelukkig.  Ineens was de vlinder verdwenen. Hij verschool zich achter de rug van een man die met een kind op een bankje zat. De man zat voorovergebogen. Ik wees het kind op de vlinder. Hij was niet verrast. De man bewoog eerst niet, maar stond toen op. ‘Good luck!’ zei ik, terwijl ik op de vlinder wees. De vlinder bleef zitten met de vleugels samen en ik maakte een opname. Een grote vlinder, dwarrelend door de grote stad, neerstrijkend in de betrekkelijke stilte in de tuin van de eeuwenoude school. Ik wou dat de vlinder geluk bracht.
Wanneer werd ik wakker uit de roes? Op de luchthaven. Ik was er geweest, in Vietnam. Had gezien dat alles anders was dan ik had gedacht. Nu zou ik nog altijd terug kunnen gaan. Engelse les geven. Alles zou veranderen. Maar op de luchthaven was alles hetzelfde, opgegaan in een eenheidssmaak van merknamen. In Amsterdam was het koud en donker. Mijn broer, O. en R. waren er al. We dronken een kopje koffie op Schiphol. Het was leeg in de tram. Er waren geen straatverkopers op de Rooseveltlaan, er klonk geen smekend ‘madame!

Wie 60 wordt, viert dit met een groot feest, een verre reis of laat de dag passeren. Beeldhouwster Ida Kleiterp besluit haar 60e jaar te vieren met verzoening met het leven, zichzelf en de omgeving in de vorm van verzoendeksel, kunstenaarsboek en beeldenroute in het Joods Historisch Museum.

Een onverwachte uitnodiging van beeldhouwster Ida op maandagmorgen aan de telefoon, of ik in het Joods Historisch Museum wil komen kijken en luisteren naar haar ‘Verzoendeksel’… Wat moet ik me daarbij voorstellen? Van Kleiterp zijn vooral uit graniet of arduin gehakte jurken bekend. Flinke oermoederbeelden met een postuur als zij zelf, met de beitelsporen in de steen. Daarna kwamen uit haar handen tevoorschijn een bloem-bed uit arduin gehakt, twaalf stenen kussentjes van arduin/zwart marmer en een onder tafel beeldje in brons. Deze beelden zullen her en der in het museum staan.

Ida loopt door het museum alsof het haar eigen huis is. In de grote synagoge zaal laat ze tussen de vaste opstelling drie middelgrote Aartsmoeders zien van wit glinsterend ruw marmer. Ze zijn er dus nog, die oermoeders.
Intussen heeft ze het over de oktobermaand, tijd van bezinning. In de joodse traditie is Grote Verzoendag Yom Kippoer dag van inkeer, vasten en gebed (dit jaar 9 oktober). En over het Verzoendeksel dat ze baseerde op de beschrijving in de Tora, de boeken van Mozes, de Ark van het Verbond.
Vervolgens toont ze de mikwe, plaats van zuivering. Dit eeuwenoude badhuis is opgegraven. Het bevindt zich beneden, onder Amsterdams Peil. Daar, op een metershoge sokkel vanaf de badhuisvloer, staat ie dan: het Verzoendeksel. Op het eerste gezicht doet het me denken aan De Kus van  beeldhouwer Brancusi, van elkaar omhelzende geliefden in een vierkant blok. Hoofd en lichamen ontmoeten elkaar in het midden. Ida’s variant is een wit albasten blok als een doos met daarop twee naar elkaar toebuigende vleugels of schelpen, wie zal het zeggen.
Rondom bevindt zich een geluidsinstallatie, ontworpen door geluidsman Erik Langhout. In plaats van koptelefoons zijn MP3 spelertjes geïnstalleerd in vormen van transparant hars. Die ‘oren’ staan op sokkels. Langhout gebaart er tussenin te gaan staan. De klank van een mensenmenigte veroorzaakt even desoriëntatie. Dan boem, boem! schoten, zuchten, getingel en helder natuurgeluid van onweer, regen, zee, vogels, stromend water. Het is een vreemde ervaring stilletjes dit ritueel te ondergaan, terwijl vlakbij het verkeer op het drukke Mr. Visserplein langs raast.
Langhout legt uit dat de mix geluiden het ontstaan van de aarde nabootsen of ermee associëren; hij noemt het ‘meditatief geluid’. 'Geluid roept beelden op', aldus Ida, 'terwijl een beeld gevoelens voor mezelf oproept.' Langhout vertelt over de 4' 46" geluidsband in elk spelertje. De spelertjes worden na elkaar opgestart.
Het is een (steen)goed idee. Hoe kom je erop? Ida trof in het Bijbels Museum een replica van het originele Verzoendeksel met twee engelen. Daartussen spreekt God. Onder het deksel bevinden zich geboden en teksten.
Ze raakte er gefascineerd door. Zo ontstond haar Verzoendeksel en een kunstenaarsboek over het verzoeningsproces met het leven, zichzelf en de wereld. Ida voegt er aan toe: '…van leven zonder kinderen, alleen, met hangtie….', het laatste inslikkend. Ze stelde het boek op een intuïtieve manier samen. Japans prentpapier inspireerde haar daarbij, als het toppunt van schoonheid, harmonie.  Schrijfster Tamara Benimah schreef het voorwoord, beginnend met de zin: 'Het leven is een harde noot om te kraken.' Als troost is er nu het Verzoendeksel, als eigentijds ritueel in een object met veel techniek.
Irene Faber van het Museum stelde de tentoonstelling samen. Ze vindt het een ‘leuk uitgangspunt’ het Verzoendeksel te exposeren met Kleiterps werk in de collectie. Ze wil in de toekomst meer gaan doen met kunstenaars.
Ook het Kindermuseum is erbij betrokken. Ida gaf les, liet kinderen verzoeningskaarten maken over iets dat ze erg vonden en/of ongelukkig over waren. Zo schreef een kind de binnenkant van een kaartje vol met de woorden ‘dik’ en ‘dun’ en plakte op de voorkant een smal reepje Japans papier: Dun.
sept./nov. 2008