herinnering aan de Zomerdijkstraat

Op 17 mei 1951 kreeg mijn vader Marius van Beek een woonvergunning voor Zomerdijkstraat 24 huis. Op het bewijs staat dat hij deze op 28 april aanvroeg. Binnen 19 dagen had hij de boel voor elkaar en kon het gezin met drie kleine kinderen het nauwe, donkere en lekkende huisje aan het Walenpleintje aan de O.Z. Achterburgwal verruilen voor deze lichte, kleine atelierwoning op de begane grond.

De toewijzing was geregeld door Piet Esser, zijn leraar beeldhouwen aan de Rijksacademie. Esser woonde er ook op 28 huis met zijn vrouw en drie kinderen. De huur van de atelierwoningen was 75 gulden. Voor veel kunstenaars was dat te duur. Mijn vader werkte als redacteur bij het dagblad De Tijd en schreef voor die krant. In de avonduren was hij meestal beeldhouwer. 

Het complex van 32 atelierwoningen is tussen 1932 en ’34 gebouwd. Het waren de eerste in Nederland, ontleen ik aan het boekje ‘Atelierwoningen Zomerdijkstraat’ van Mariëtte van Stralen.  Het is gebouwd door Zanstra, Giesen en Sijmons met als basis een stalen skelet. Het complex is als een ‘vreemd lichaam’ op een open plek tussen de dichte blokken gezet. Van Stralen noemt het ‘de allermerkwaardigste verstandhouding’ die het onderhoudt met de omgeving.

Op dit eiland ben ik in de zomer van 1952 geboren op een chaotische dag (mijn moeder later: ‘Ik had liters wonderolie ingenomen en je vader was er weer eens niet...’ en vader: ‘Ik moest de vroedvrouw ergens uit een bovenhuis in De Pijp halen...had ik die auto al?’) Op een foto die mijn vader nam ligt mijn moeder in bed met een tevreden uitdrukking op haar gezicht. Aan het voeteneind lig ik in witte katoenen luiers gewikkeld. Mijn zusje Clara staat in een nachthemdje aan het bed en geeft de slapende baby een handje (‘wie ben jij?’)

In 1958 liet hij zich uitschrijven en verhuisden we naar een huis buiten met een groot atelier van de beeldhouwer John Grosman (die in ons huis in de Zomerdijkstraat kwam). De familie moest wennen aan de omschakeling van stad naar platteland. In het mooie, achterlijke dorp werden we als vreemden gezien. De wereld was niet zo veilig. De ‘Zomerdijkstraat’ werd een idylle, nostalgie. Een statische herinnering, vastgelegd in een groot fotoboek met zwartwit foto’s van die zeven jaar.

Hoe werkt een herinnering? Deze kan ineens terugkomen door een bepaalde geur of smaak. Maar in de Zomerdijkstraat door het licht. Dat heldere noorderlicht, dat in bakken door de grote ramen van de ateliers valt. Noorderlicht heeft de eigenschap het minst aan verandering onderhevig te zijn. Het is ook hard licht. Geen mooier licht dan het Hollandse noorderlicht.  

TERUG NAAR NR 16

Ik kwam binnen op nr. 16 via een kennis. Dit was oorspronkelijk het atelier van de beeldhouwer Frederico Carasso. Nadat hij was gestorven, bleef zijn weduwe er wonen. Het atelier stond jarenlang leeg. Er is een nieuwe bewoner, de beeldhouwster Ida Kleiterp. Ze liet huis en atelier in de originele staat. Ida hakt uit steen. Het werk dat ze maakt is figuratief; jurken met het postuur van haarzelf, flink en stevig.  

Als je op een plek van vroeger terugkomt, ervaar je het meestal een stuk kleiner. Toch had ik dat niet in dit lage benedenhuis. Alles ziet er nog precies zo uit als 45 jaar geleden, zelfs de grijzige verf op de deuren! De trap. O ja, waar mijn broer vanaf donderde. Dat  snelle moment dat je hem nog boven zag staan en daarna beneden zag liggen. Geen wonder, wat zijn die treden smal! De lichte, lage slaapkamer boven waar wij, de drie meisjes sliepen. Ja, nog net zo. Daar kon je in het donker tegen het licht van de lantaarnpalen de schaduwen van auto’s op de muren voorbij zien rijden. Spookachtig. En het balkon. Hier hingen in de winter ijspegels langs de metalen rand. Staafjes ijs, doorzichtig als glas. Ik zoog eraan tot mijn broer waarschuwde dat ik met mijn tong aan het ijzer zou blijven vastplakken! De balkonnetjes is trouwens een verhaal apart, hoor ik nu. De voorste delen zijn afschroefbaar, zodat kunstwerken via deze weg de atelierwoningen kunnen verlaten. En hier in de slaapkamer stond mijn moeder te strijken. Ik legde mijn vingers op de strijkplank en voelde een hete gloed door mijn vingers. Nog altijd een witte afdruk op de wijs en middenvinger van mijn rechterhand.

JUSTA MASBECK

Waar is het doorgeefluikje in de keuken? Weg. Sliepen mijn ouders in deze kleine woonkamer? Er klopt iets niet. Toch maar eens op nr. 24 navragen. Justa Masbeck, de vriendin van John Grosman die hier al 45 jaar woont, is thuis en zet de deur uitnodigend open. Ze heeft het huis en atelier zo grondig verbouwd dat ik niets meer herken, behalve de stalen ramen en brede vensterbanken. O ja, die vensterbanken, waar mijn zusje het eten dat ze niet lustte onder gooide. Justa laat zien, dat mijn ouders in het atelier sliepen; ze heeft de uitbouw weggebroken.

Justa ontwerpt speciale meubels, kasten en theaterdécors en maakt haar ontwerpen op een computer. Haar atelier is koel en sober. Ze wil geen voorwerpen om zich heen en heeft alle noodzakelijke rondliggende spullen opgeborgen in door haarzelf ontworpen kisten.

GERRIT JAN VAN DER VEEN

Terug naar Kleiterp’s atelier met de originele vloer van blokjes kops hout. Ida noemt het een ‘lastige vloer’. De blokjes zitten los en de vloer komt naar boven, als er water opkomt. Lastige vloer? Daar boorden wij gaatjes in met de handboor. En als ik mijn zusjes en broer over de tandartsboor hoorde praten zag ik die handboor voor me!

Zijn er nog dingen over van de vorige bewoners? Kleiterp wijst op een houten kast. Van Carasso geweest. En op een houten werkbank. Van Gerrit Jan van der Veen. Dan kijk je toch anders naar zo’n verweerde werkbank. De beeldhouwer en verzetsheld Van der Veen woonde sinds 1938 op nr. 22, tot hij in de oorlog in 1943 moest onderduiken. Een jaar later is hij geëxecuteerd. Een plaquette hangt aan de buitenmuur. Jan Wolkers woonde er daarna. Vervolgens beeldhouwer Paul Gregoire met Jet Schepp. Van Gregoire zag ik foto’s, liggend op de divan in zijn atelier. Alsof hij uitgewerkt was. Alles van zichzelf in zijn beelden had gestopt.

Schepp is vriendelijk en gastvrij. Haar atelier staat vol met figuratieve beelden. Ze heeft net een beeldje van Anne Frank klaar. Het wordt in brons gegoten. Het moet een plek krijgen op het Merwedeplein, waar Anne woonde. Schepp vertelt dat er ieder jaar met dodenherdenking een man stil voor het huis stond. Tegenwoordig worden er hele groepen langs geleid door een gids die dan vertelt over de heldhaftige geschiedenis van Van der Veen. Om de hoek in de Churchillaan, blijkt een beeld van hem te staan. Een monument voor Wilhelmina Drucker.

SONIA GASKELL

Naast ons op nr 26 huis zat de balletstudio van Sonia Gaskell. Mijn zusjes en ik gingen vaak kijken naar de dansers. Via de grote wandspiegels zag je ze spiegelverkeerd dansen, een mooi gezicht. De dansstudio oefende een aantrekkingskracht uit op de buurtkinderen. Daar gebeurde iets spannends, als iets erotisch. Nu lees ik in een boekje over Sonia Gaskell dat ze last had van glurende kinderen. Ze bonsden op de ramen of gooiden ruiten in. Ze klaagde erover bij de gemeente. De onderste rijen strookvensters werden wit geverfd of van matglas voorzien en er werden hagen geplaatst. 

Gaskell schijnt ‘streng en onbarmhartig’ geweest te zijn tegen (top)dansers Hans van Manen, Jaap Flier, Conrad van de Weetering en Marianne Hilarides. Daar vertellen mijn zusjes over. 

In 1954 kreeg mijn vader een opdracht van de gemeente Nijmegen om een monument te maken van de verzetsman Jan van Hoof. Zijn model Conrad van de Weetering kwam uit de dansstudio. Zo kreeg het beeld van de man met de vlag mooie benen. Jan van Hoof was de eerste grote opdracht. Hij was nog niet volleerd en had er zijn twijfels over. Toch is het nog altijd zijn bekendste beeld, waar beweging in zit.

PIET ESSER

Het interieur van de Esser’s maakte veel indruk. Ze hadden huis en atelier doorgetrokken en een vliering tussen woning en atelier. Overal waren verstophoekjes. Voor de rijen vensters stonden metershoge ficussen. Ze hadden witte muizen in een kooi en er kwamen er dagelijks meer bij. Ik hoorde dat er zo nu en dan een aantal in de w.c. werden gedumpt. Ik was bang dat ze er uit zouden kruipen. Nee, dan het moment dat iemand daar dwarsfluit speelde! Ik dacht altijd dat het Daniël was, maar het was Piet met zijn dochter Suzanne. Ik vond Piet een pestkop, omdat hij me ‘dikke Betsy’ noemde. Na jaren ontmoette ik hem weer bij Suzanne. We waren zo in gesprek en ineens zegt hij: ‘...Ik noemde je altijd ‘dikke Betsy’. Toen ik liet merken dat niet zo leuk te vinden keek hij verbaasd op.

ERIC EN JAN WOLKERS

Eric Wolkers was het vriendje van mijn broer en zus. Toen zijn vader Jan een nieuwe radio had gekocht mochten alle buurtkinderen er naar komen kijken. Ik zie een moderne, witte radio staan op de vloer in een vrijwel lege ruimte, maar er komt geen geluid uit. Mijn zusje kwam er vaak. Ze vertelt dat ze Jan ‘Dadi’ noemde en dat hij alle kinderen uit de straat uitnodigde om te komen luisteren naar ‘Peter en de Wolf’.

Op de tweede expositie bij Glerum hebben mijn oudste zusje en ik Eric Wolkers na jaren weer ontmoet en daarna zocht ik hem op in zijn studio in Enkhuizen. Hij is fotograaf. Hij heeft leuke en minder leuke herinneringen aan de Zomerdijkstraat. Hij zou ze niet voor een film willen vertellen. Als kind van een beroemde vader moet je loyaal zijn. Maar hij wil wel vertellen dat hij heeft geposeerd voor het beeld ‘de jongen met de haan’. Hij moest met beide armen omhoog staan op dezelfde plek en de afdruk van zijn voeten werd op de vloer afgetekend. Er is een foto van in het boek ‘Werkkleding’, het beeld staat bij een school.

Er waren meer kinderen van de baby boom generatie, Wagemaker, Teunissen van Manen en Van de Kerke. Op fotootjes zie je ze op een kluitje op het grasveld spelen. De foto’s bekeek ik met Eric op een beeldscherm. Hij haalde ze vergroot in detail één voor één snel naar voren, zag zichzelf terug als 5-jarige en ontdekte zijn moeder Maria verscholen achter een raam.

We waren terug in de straat, een halve eeuw geleden. Winkeliers reden rond op bakfietsen en met manden voorop of blikken achterop. Een man zong half zingend: ‘Als je je vrouwtje wilt trakteren, moet je Berliner bollen serveren, BERLINER BOL!’ Of: ‘Lekkere, levendige SCHOL! GARNALEN!’ We hadden het over mevrouw Nauta, Van der Sterr en Ro Mogendorff boven en hij had het vooral over kattenkwaad.

‘Eens kijken of ik daar een foto van kan maken…’ hoor ik ineens mijn vader zeggen. Ik zat naast mijn zusje in de woonkamer aan tafel te duimen achter een schemerlamp, gemaakt van een grote fles. Hij haalde zijn camera tevoorschijn, klikte het tere klepje er van af, keek van boven door de lens. Hij was iets van plan, dus ik bleef zo zitten. Hij drukte af. De foto – door de fles heen - is goed gelukt. Ik was me voor het eerst bewust van een camera en dat je er iets mee kunt uitvinden. Dat mijn vader verder nooit iets met zijn foto’s heeft gedaan vind ik onbegrijpelijk. Ik heb hem er wel naar gevraagd, maar hij wilde er het bijzondere niet van inzien. Foto’s inlijsten en ophangen vond hij saai. Beeldhouwen was het echte werk voor hem en dat hele emotionele, zware leven dat hij daar bij leefde, waar het hele gezin in mee moest gaan. 

Ik was de jongste, iedereen was ouder en moest hard roepen om me verstaanbaar te maken en mee te mogen doen. Ik was er zó verontwaardigd over dat je zó kon worden buitengesloten! Zoals toen de hele familie naar de bioscoop ging om ‘De Tien Geboden’ te zien, een film uit 1956 van Cecil B. de Mille (Claar zei later dat er niet veel aan was). In de winter, toen een vader de sleetjes achter de auto bond, mocht ik alleen toekijken hoe de rij kinderen op sleeën in de sneeuw door de donkere straat zwierde en slingerde...

Thuis lazen we het tijdschrift de ‘Kris Kras’, de Zomer-en Winterboeken, het Fluitketeltje van Annie M.G. Schmidt en de Gouden Boekjes. Mijn striphelden waren ‘Kwik en Flupke’; mijn broer las ‘Kuifje’. De Kuifjes waren populair in de Zomerdijkstraat. We hadden 78 toeren platen, Bach’s Brandenburger Concerten en singletjes van de idolen van mijn ouders: George Brassens, Nicole Louvier, Rika Zaraï en Amalia Rodriguez. Van Amalia’s stem kreeg en krijg ik nog altijd kippenvel.

In mijn familie is de dag dat ik wegliep vaak aangehaald, maar ik weet alleen een flard herinnering van een heleboel regenjassen in lichte kleuren, op de rug gezien. Mijn vader wijdde er een verhaal aan voor zijn rubriek ‘De Zevende Dag’ (die meestal over ons ging en waar mijn moeder de illustraties bij maakte). Daarin vertelt hij dat een heleboel huisvrouwen in de Rijnstraat zich over me ontfermden. Ze waren er verontwaardigd over dat mensen ‘zoiets’ hadden kunnen laten weglopen! Mijn vader werd door ze uitgescholden voor ‘kale snor’, toen hij me aan menigte ontrukte en met me weg fietste!

Nog zo’n flard van een herinnering, van een paar opgestapelde rode doosjes met een lachende, oergezonde kleuter in de vitrine bij de bakker. Een ontzettend karig beeld. In de jaren vijftig en zestig beleefde Liga zijn bloeitijd. Mijn moeder haalde vaak de anekdote aan dat ze met me in de winkel stond waar ook een lilliputter was. Ik zei hardop: ‘Mama, dat mannetje is heel klein, hè?’ Geen reactie. Dan doorgaan: ‘Klein is dat mannetje, hè mama?’

De wereld was simpel. De kerk en pastoor maakten de dienst uit. Op zondag reden we in de Deux Chevaux met mijn vader aan het stuur naar de (schuil)kerk Onze Lieve Heer op Zolder. De eend wipte over de grachten. Als hij de auto langs de gracht parkeerde was dat een eng moment: Je rijdt in het water! De kerkdienst duurde lang. We zaten bovenin als in een theaterloge en staarden naar de plaatjes van heiligen in onze kerkboekjes. Soms viel er een plaatje uit het boekje naar beneden en dwarrelde door de ruimte. En dan het moment dat de geloofsbelijdenis door de organist werd ingezet, mijn moeder met mooie stem meezong en ik wachtte tot ik heel hard ‘et vi-vi-vi-cantum’ kon meezingen! Na de mis dronken de ouders gezamenlijk koffie en speelden wij met de kinderen Brinkgreve in de rosse buurt. Ik zag geen hoeren, alleen stenen en steegjes. Thuis kregen we een kopje slagroom met chocoladehagelslag (die we ‘rientjes’ noemden). Aan tafel werd het Onze Vader en Wees Gegroet opgezegd en een kruisteken gemaakt voor het eten. De tafelmatjes fungeerden als ‘heiligjes’, halo’s, waarmee de heiligen op de kerkboekplaatjes stonden afgebeeld. Het ‘heilige Maria, bidt voor ons zondaars, NU en in het uur van...’ komt me nog van pas, als ik dreig mijn geduld te verliezen.

Ik ging naar de Anne Frank kleuterschool op de fiets achterop bij mijn 6 jaar oudere broer. Mijn zusjes gingen naar de Catharinaschool. De juffrouw heette Bleekermolen. Ik zie haar groot, blond, met bril, Annie M.G. Schmidt achtig. Een keer kwam mijn moeder met Bleekermolen praten. Mijn moeder zit op een kleuterstoel, gek gezicht. Waar hebben ze het over, over de gekleurde taalbakken, gekleurde rekenkraaltjes? Bleekermolen fluistert en laat een witte onderbroek aan mijn moeder zien. Ik had het in mijn broek gedaan en moest leren me te schamen.

Mama komt me ophalen’, zei ik een keer tegen mijn broer, toen hij vroeg of ik meekwam na school. Hij reed weg. Daarna was het leeg op het schoolplein, leger dan leeg. Na een hele lange tijd zag ik haar in woeste vaart in de verte komen aanfietsen. Ze was het vergeten, zei ze. Alsof ze niet wist dat ze het had afgesproken. Alsof ik het had verzonnen.

Ik begon te beseffen dat de wereld groter was toen mijn moeder meeging naar school met een tas vol kleren. In een hal of het gymlokaal lag overal kleding en speelgoed uitgestald, voor de kinderen in Hongarije. In 1956. Sindsdien waarschuwde ze vaak aan tafel als we niet wilden eten: ‘Denk aan die arme kindertjes in Hongarije’ (later Pakistan, daarna Biafra).

DE EXPOSITIES

Op een dag zaten we stil aan tafel voor het raam. Zonder mijn vader. Hij had een auto ongeluk gehad in de buurt van Den Bosch. Hij had een been gebroken en lag daar in het ziekenhuis. Met mijn moeder ging ik naar het station. Op het Amstel station zag ik sterretjes in de stenen trappen. Hij lag in een ziekenhuisbed met een dik gipsen been in het verband. Doorgaans was hij overal elders, altijd bezig. Vanaf dat moment was alles anders. Toen kwam de verhuizing. 

Op een dag zaten we stil aan tafel voor het raam. Zonder mijn vader.

Zo was het opnieuw in 2003. En toen was hij er helemaal niet meer.

Ik heb het nog wel met hem gehad over de tentoonstelling, die nu iedere zomer wordt gehouden bij veilinghuis Glerum in de Lekstraat.

Op de affiches in de stad staat een naaktmodel. Een naaktmodel is haast ouderwets en typeert de sfeer van de Zomerdijkstraat. Want wie er ook wonen en werken of gewoond en gewerkt hebben, al zijn ze beroemd of minder beroemd, het valt op dat velen klassiek, figuratief werken. Dat werk is eigenlijk van alle tijden. Alsof kunststromingen voorbij gingen en ze daar op een eilandje leven. Eigenlijk is dat gebouw zelf ook een eiland, zoals het er staat in de Rivierenbuurt, tussen de rijtjeshuizen.

Ieder jaar wordt werk getoond van vier kunstenaars. De eerste bewoners zijn geweest in 2003 en ‘04. Van der Veen, fotografe Louise van der Veen, Carasso, schilder Fred Sieger, Charlotte van Pallandt, tekenares Ro Mogendorff, schilder Theo Swagemakers. Hun namen waren bijna vergeten. Ze leven door in hun werk. Van Van Pallandt zag ik laatst haar beeld van koningin Wilhelmina staan voor het paleis van de koningin in Den Haag. Wat een beeld: Wilhelmina in jas. Meer jas dan Wilhelmina en zo herkenbaar.

Esser, Gregoire en Van Beek komen het komend jaar aan bod, daarna o.a. Van Zanten en Wolkers. Wolkers’ roman ‘Turks Fruit’ speelt zich in zijn atelier op nr. 22 huis af. De regenscène uit de film ‘Turks Fruit’ speelt zich ook daar af (maar niet op de locatie opgenomen). 

Marcella van Zanten organiseert de exposities. Ze is de dochter van beeldhouwer Ek Van Zanten en schilder Annemarie Eilers. Marcella heeft maar korte tijd in de Zomerdijkstraat gewoond. Maar lang genoeg om het bijzondere van dit ateliergebouw en de bewoners te zien.

Ik woon al jaren in De Pijp. Soms fiets ik even langs de Zomerdijkstraat. Het geeft een zekere stabiliteit in de buurt van mijn geboortehuis te wonen. Het ateliercomplex is zo’n tien jaar geleden gerenoveerd. Van het naastgelegen complex zijn de kozijnen vervangen door aluminium, waardoor de architectuur een heel ander aanzien heeft gekregen. Dat is jammer. Toch heeft de verandering, die je overal in de stad ziet, op dit eilandje in Amsterdam zuid nog niet zo drastisch toegeslagen.

Sandra van Beek.

Dit verhaal is geschreven voor Emmy Mos-Schremft, die verhalen verzamelt van kinderen die in de jaren '50 opgroeiden in de Amsterdamse Rivierenbuurt.