Skip to content

Dit stukje over Peter en de film De man die de wereld wilde veranderen, begint met een voorzet: de voorstelling van zanger en komiek Sven Raske in de kleine zaal van het Concertgebouw. Toen Raske het lied In einer Zeit, die nun vergangen ist lebten wir schon zusammen, sie und ich van Brecht inzette, schoot door me heen: dit lied heb ik voor het eerst door mijn moeder horen zingen. De licht valse toon had me getriggerd: wat zingt ze? Jawel, zij zong liederen uit de Dreigroschenoper bij de wasmachine, staand naast een bak kolkende grijzige massa waswater. Het herinneringsbeeld van zwoegend de was doen, gecombineerd met fonkelende tonen van haar stem, geeft betekenis aan de rauwe teksten van de Dreigroschenoper. Het gezang gaf glans, het waswater en de slovende moeder was dof. Ik wilde mijn moeder niet als sloof zien maar haar horen zingen, zo’n geluksmoment meemaken. Aan die herinneringsbeelden zitten altijd ruwe randen. Onvoltooide schoonheid, onaf.
Het lied nam me mee terug naar de keuken van het ouderlijk huis in Oosterbeek, waar we vanuit Amsterdam naar toe waren verhuisd. Daar ging het om, om Oosterbeek en de wereld die daar tussen lag, twee dagen later in Crea bij het zien van De man die de wereld wilde veranderen over Peter Westerveld. De film gaat over Westervelds grote droom de ‘verwoestijning’ in Oostelijk Afrika op te willen lossen. Eén enkele man die een uitgestrekt, uitgedroogd gebied tot leven wil wekken, is als het gevecht van David tegenover Goliath. Slim was hij en ingenieus; hij werkte zich letterlijk dood aan zijn plan de woestijn leefbaar te maken.

Peter was een vriend uit Oosterbeek uit een ver verleden. De vriendschap duurde maar kort. Toch was die tijd beslissend. De puberteit beleefden we in de jaren 1966-’70 als groep. Op feestjes draaiden we singeltjes van The Swinging Bluejeans, The Beatles, The Rolling Stones, droegen korte rokken, popperige jurkjes, paarse truitjes, witte kousen. Wat opviel was dat meerderen idealen koesterden, discussies voerden met ouders over de Vietnamoorlog, waarbij de ouderen ‘de’ Amerikanen’ verdedigden die ten slotte met hun Airborne-legers Oosterbeek hadden bevrijd. Het dorp was net bijgekomen uit de verlamming van de heftige oorlog in de Slag om Arnhem.

De Westervelden hadden tot aan rond 1960 in de Belgische Congo gewoond. Willem, de oudste zoon, noemde dit vaak hartelijk lachend ‘de gouden onderbroeken tijd.’ Hun moeder droeg Chanel–achtige mantelpakjes, haar donkere haar ingenieus hoog opgestoken. Hun vader werkte in België, kwam in de weekenden thuis: In één weekend had hij de voortuin omgeploegd en met heide beplant. Want, zo zei hij: wat moet je met al dat gras? (De Westervelden hielden zich met grond bezig; Willem zou fysische geografie studeren, Peter geulen graven in Kenya).
Willem, Peter en jongste broer Frans-Maarten hadden een zeilboot aan de Rijnoever. Daar lag ook het omgebouwde landingsvaartuig van mijn vader waarmee hij in 1963 de Nijl had afgevaren, bepaald uitzonderlijk. Het landingsvaartuig met de Evinrude motor was log. Dus zeilden we soms met Willem en Peter mee in hun lichte zeilbootje Onkruid naar het grindgat bij Arnhem om aan te leggen en te zwemmen. Al deden sommigen niet mee. Je kon de ziekte van Weil oplopen, waarschuwde mijn zwager Bob aan de kant. Op de heuveltjes vol klaver rondom het grindgat hingen we rond. Eén keer heb ik daar talloze klavertjes vier gevonden.
Op een avond toen ik me op de fiets door Peter op zijn Puch de helling van de Annastraat op liet voortduwen, begaven mijn remmen het en vloog ik de Utrechtseweg op. De grote schrik op Peters’ gezicht zie ik voor me. Later hingen we buiten in het donker bij een feestje rond waar ik mijn bovenbeen open scheurde aan een stuk prikkeldraad. Toen was het uit, mét litteken.
Van Peters missie was in die tijd nog weinig te merken. Al zaten er de groep wel jongens tussen die precies wisten wat ze wilden. Zo zat er een goede verkoper tussen – hij kon een pick-up verkopen die het alleen keihard deed op één nummer van de Lovin’ Spoonful – die verder wilde in de nog onbekende wereld van de computer. Er waren ontwikkelingswerkers bij die idealen hadden de wereld in te trekken, te verbeteren. En zij die naar de kunstacademie gingen, onder wie het merendeel van mijn familie, in de lijn van verwachting. Zo ook Peter, uiteindelijk. Nadat hij zich ook in Amsterdam had gesetteld, volgden ’s avonds vaak eindeloze, saaie discussies over kunst.

Door het dodelijke ongeluk van Willem leken alle idealen ineens voorbij. Na zijn begrafenis reed ik met Peter terug in de tram naar Amsterdam. Ik kon niet met hem praten. Want er zijn dingen die kun je niet zeggen (E. Pelgroms gedicht).
Veel later hoorde ik Peters stem ineens in de kamer via de radio in een reportage uit Kenya. Peter had daar een safari-bedrijf. ’s Nachts, rijdend door het gebied, reden ze een beest aan. Peter ging helemaal over de rooie. Ik realiseerde me hoe gevoelig hij eigenlijk was. Dat was het laatste wat ik van hem hoorde. Ik wist niet waar hij mee bezig was, tot de zo betrokken Anne Marie Spoek advies vroeg over zijn nalatenschap.
Daar is Peter Westerveld weer, nu op film als oudere man. Als ik hem zie lopen, schiet een flitsbeeld van vroeger tevoorschijn op het hockeyveld. Herkenbaar aan de lange, smalle benen, alsof ze net te snel waren gegroeid, het éne been opgetrokken.
Op een – nu legendarische foto – zit hij hurkend, lang, krullend haar – speler van het voetbalteam bij een wedstrijdje, georganiseerd voor Clara’s verjaardag op de hei. De hele groep deed mee, in 1969.
Nu zie ik Peter lopen door het Afrikaanse woestijngebied, hoor zijn idealen verkondigen. Gemakkelijk was/is hij niet in de omgang. Maar toch ook aardig, zoals hij tegen de Kenyase kinderen praat en hoe hij met zijn hond omgaat. Hij was een persoonlijkheid geworden.
In de film vraagt een Kenyaan aan hem: ‘Waarom doe je dit werk? Waarom wil je ons land verbeteren? Ik doe het voor mijn land, zodat mijn koeien kunnen grazen en we te drinken hebben, maar jij?’ Peter reageert: ‘Omdat ik hier ben geboren.’
Verlangde hij naar zijn kindertijd, naar het behoud van het land, zoals het was, waarin hij zich als kind gelukkig had gevoeld? Zoals ik er naar kan verlangen de zangstem van mijn moeder nog eens in het echt te horen, het gevoel van geluk dat door je heen stroomt opnieuw te beleven? Dat sentiment kan de aftrap zijn om de wereld te willen veranderen.
http://www.human.nl/2doc/2016/de-man-die-de-wereld-wilde-veranderen.html
Peter 1969

 

Van de vrienden van vroeger kun je een kwartetspel samenstellen. Later verbond ik ze als aan een ketting. Die ketting brak bij de vroege dood van Willem. Er viel een schakel uit, de ketting was niet meer aaneen te rijgen.
Bij de begrafenis van Hans kijk ik naar zijn levenloze lichaam. Het is in doeken gewikkeld. Hij lijkt een Christusfiguur, van zijn lijden verlost. Het tafereel doet ook denken aan Rembrandts schilderij van de Anatomische Les. Al is zijn lichaam niet te zien, alleen de contouren ervan in het doek. Er liggen bloemetjes op. Het lijkt of hij ieder moment het doek van zich af zal trekken, rechtop zal gaan zitten op de houten plank en vragen: ‘Wat is hier aan de hand?’ met die beetje lijzige stem, de stem die altijd becommentarieerde, soms met een cynisch lachje.
Een mooie jongen, lenig ook. Een vader had hij niet. Wel een moeder en een zus, later een vrouw, een zoon, vriendinnen, een vriendin. Hij was altijd al goed in het versieren. We hebben veel met elkaar meegemaakt. Met de dood dringt het besef van vriendschap pas goed tot me door. Ik heb de vriendschappen niet gekoesterd. Dat is te betreuren. De vriendschap eindigde ergens. Zonder opzet, het ging gewoon zo.
Bij de begrafenis van René vorig jaar vertelde ik over een roos. Opkijkend, keek ik recht in het gezicht van Hans tussen de mensen die in de aula verzameld waren. Maar als ik nu zeg dat dit de laatste keer was dat ik hem zag, reageren vrienden, familie: ‘Maar hij was er niet!’ Toch was het zo. Zag ik iets anders? Het is me wel eens verweten dat ik de dingen anders zie/beleef dan ze waren of zijn.
Na Hans’ begrafenis, af en toe naar zijn zoon kijkend, komt Hans weer even tevoorschijn: de slender verschijning. Die is te zien op die enige foto die ik van hem maakte waarop hij in Frankrijk een straat oversteekt, een Borsolino hoedje op z’n hoofd. Tijdens die vakantie met Paul hadden we een eind gereden, streken ergens op een terras neer. Hans zei: ‘Geef mij maar een pil…’ Voordat hij pilsje kon zeggen viel hij flauw. We schrokken toen hij zomaar onderuit ging. Was dit achteraf gezien het eerste symptoom van zijn suikerziekte die later pas echt de kop op stak?
We woonden ‘allemaal’ een tijdje in het huis ‘van’ Maarten in de Utrechtse Schoolstraat. Opnieuw een kring van vrienden. Ook Ida woonde er, m’n beste vriendin van vroeger, die al eerder is heengegaan. Denkend aan Hans, zie ik haar weer terug. En Peter en Willem, die hem voorgingen. Waar zijn ze? Zo vroeg weg gegaan, verdwenen.
Het is mooi als je elkaar kent van vroeger. De beste tijd eigenlijk in of bijna uit de puberteit, wankelend een weg vindend, een mening vormend, als alles nog de eerste keer is. Dwalend in gedachten over de vrienden van vroeger hoor ik Ida’s lachje, zie Hans terug op het hockeyveld, en Peter. Van die momenten dat je echt naar elkaar kijkt, op afstand, in beweging. Peter speelde in de achterhoede, de verdediging, Hans ook? Niet echt fanatiek. Jongens waar je als meisje (Meisjes A) verliefd op kon worden. Het lijkt nonchalant, terwijl het moment er echt veel toe deed.
Onderling werd er gepest, gekletst, maar het leidde niet tot echte problemen. Anders wel met de ouders, het later benoemde generatieconflict van eind jaren ’60. In de meeste gezinnen waren ontbrekende, afwezige vaders. Wel moeders, huisvrouwen die nog geen carrière maakten, maar afwachtten wat zou komen, met welke vrienden hun zonen en dochters thuiskwamen, of ze hun huiswerk wel maakten, met wie ze vreeën, op tijd thuis waren.
Achterop de Puch van de jongens op zaterdagavonden feestjes af in de buurt…Wietze wist altijd wel waar ergens een feestje was. Op die feestjes kwam je weer andere groepjes tegen uit de Arnhemse omgeving, Schaarsbergen, de Hoogkamp. Overal vormden zich groepjes, de ene ‘hoorde’ niet bij de ander, soms was er overloop, hier en daar vormden ze een popband. De groep van de Graaf van Rechterenweg heette None. Hans was drummer. Don zong Teach me to love in de Arnhemse Kameleon. De naam None stond overal op de muren in de straten, daar had Wietze voor gezorgd.
Een oude agenda gebruikte ik die tijd als dagboek. Later heb ik die weggedaan. Jammer, maar ik ben het toch echt niet vergeten.
De vriendschap is ontstaan en verbroken, ontstaan en verbroken. Ik heb de vriendschap niet gekoesterd, nu hecht ik er aan.
Daar ligt Hans. Je dood brengt me naar Willem, Peter, Ida, Milosch, Hanneke, vrienden en vriendinnen. Het is herfst. De bladeren worden geel, de dagen korter. Het wordt stil. Vrienden waren we, schreef Nescio.